Bildung

BILDUNG

De beroemde filosoof Friederich Nietzsche die leefde van 1844 tot 1900 heeft een enorme invloed gehad op het modernisme en postmodernisme zowel in de filosofie als  in de kunst en cultuur. Kern van zijn filosofisch denken is uitgewerkt in zijn nihilisme. Mijn leesvrienden karakteriseren dat in de uitspraak Nihilisme=Niks of in een bijnaam voor de filosoof ‘Niets-je’.

Voordat hij als filosoof zijn bloeitijd had, was hij hoogleraar oude talen/filoloog  in Basel, Zwitserland. Daar hield hij in 1872 een aantal lezingen over de toekomst van de onderwijsinstituten in het Duitse taalgebied. In die lezingen ontwikkelde hij ook ideeën over onderwijs als Bildung, dat de vorming van de mens als geheel ten doel had. Onderwijs als opleiding tot uitsluitend vaktechnische bekwaamheden wees hij af.

In die lezingenreeks ‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten‘ spreekt Nietzsche zijn bezwaren uit tegen de toenmalige constellatie van scholingsinstituten. Tegelijk geeft hij aan hoe hij graag zou zien dat Bildung zich zou ontwikkelen. Hij hoopt dat er een algemene vernieuwing, verfrissing en loutering van de Duitse geest ontstaat. Zo kunnen de onderwijsinstituten herboren raken en in die nieuwe statu  nascendi oude en nieuwe waarden tot hun recht laten komen. Maar zegt hij ik ben geen ziener en weet niet hoe het afloopt. Strijden voor betere ‘Bildungsanstalten’ is het minst dat we kunnen doen.

In die zelfde tijd schreef hij ook een aantal ‘Vorreden’ voor boeken die hij wilde uitgeven. Daaronder naar aanleiding van zijn lezingenreeks een ‘Vorrede’ voor het boek (‘Gedanken über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’). Het boek bleef echter onuitgegeven. In die inleiding geeft hij aan hoe de lezer van zijn boek en de ‘Bildung’ van die lezer , idealiter zou moeten zijn.

De ideale ‘Lezer’ is een denker. Iemand die beschouwend leest. Zijn ogen over de alinea van een boek laat glijden en de tekst in zich probeert op te nemen. Vervolgens leest hij de alinea nogmaals. Hij probeert te begrijpen wat de auteur van de alinea bedoelt. Hij stelt vragen aan de inhoud van de alinea. Niet op basis van wat hij zelf al allemaal weet. Nee, hij probeert dicht bij de auteur te blijven. Binnen zijn betoog de strekking van zijn uiteenzetting te volgen. Naast het volgen van het argumentatieve verloop binnen de tekst, tracht de ideale lezer de duiding van het geheel te volgen. Zonder haast of tijdsdruk bezint hij zich op de tekst en laat zijn eigen vooroordelen en kennis-canon buiten de leeservaring. Hij heeft geen verwachting van de uitkomst van het betoog maar deint mee op de golven die het denkproces van de auteur veroorzaakt.

In dit geval wil de lezer weten hoe Nietzsche denkt over ‘Bildungsanstalten’. Die  zijn op het moment dat hij erover schrijft in verval. Het zijn instituten geworden waar het denken zoals Nietzsche het voorstaat zwaar op zijn retour is. Het denken is volkomen rekenkundig geworden. Spreadsheet-denken zouden wij in onze tijd zeggen. Resultaten van dat verarmde denken moeten te herleiden zijn tot tabellen, schema’s en regelementen. Dat is de hond in de pot. De vraag wordt of de middelbare scholen, gymnasia en universiteiten als schatkamers van een brede cultuur nog wel blijven bestaan. Het dreigt dat ze in de toekomst radicaal hervormd worden tot wetenschappelijke en kwantificeerbare feiten-productie-plaatsen. Het is 1872 en geen 2015! Bildung verdort als ze wordt verengd tot statistisch significante kennis.

De ideale lezer die nog gevormd is op een ‘Bildungsanstalt’ met breed opgezette opleidingen laat zich niet gek maken door de duizelig makende haast van onze rollercoaster samenleving. Hij heeft nog tijd en beleeft nog waarden buiten de efficiëntie criteria die alles afmeten aan tijdsbesparing en tijdsverspilling. Alleen als je tijd hebt kun je nadenken, tot bezinning komen en het gedachte beleven.

Wil je weten wat de toekomst brengt ook die van de ‘Bildung’ dan moet je mediterend denken over hoe die eruit kan zien. Als je zo leest en over het gelezene nadenkt nog lang nadat je het boek hebt weggelegd, krijgt je geest vorm. Je raakt belezen en je geest gelaagd. De verdieping door het inbouwen van traagheid in je cultuurervaringen, verruimt de dimensies van je culturele biotoop. Uiteindelijk leer je breeddenken en het geheel van de werkelijkheid vanuit een verticale positie overzien.

Daadkracht en doeltreffendheid zijn productievormen die een momentane aard hebben. Kenmerk is hun herhalingskarakter. Er worden voortdurend dezelfde handelingen verricht. Aan dat handelen ontbreekt dimensie of breedte. Dit lijkt  een definitie van werken: schematisch handelen, lopen over eenrichtingswegen, kanalen graven en geen enkele echte verschuiving teweeg brengen. Het moet ook gebeuren, maar het zou geen boventoon moeten voeren en daardoor tot vervreemding leiden.

Dit soort werkzaamheid overheerst ook aan de ‘Bildungsanstalten’. Nietzsche wil daarentegen heraut zijn van een soort meta-wetenschappelijk denken. Een denken na of voorbij het berekenend denken, dat misschien wel typisch is voor het denken van de ‘letzte Mensch’. Daarover zal hij meer dan 10 jaar later in de ‘Vorrede’ van zijn Zarathustra schrijven. Hij portretteert hem daarin als een verachtelijk wezen dat met oogkleppen op met een verengde blik naar de werkelijkheid kijkt. De enige hoop die hij laat, is dat de ‘letzte Mensch’ een brug is tussen dier en volgende mens, een mens over de laatste mens, een tussenfase op weg naar de volledige mens.

Maar deze mens is net als zijn ideale lezer vooralsnog ver te zoeken. Hij is moeilijk te vinden dit onbaatzuchtig type dat lijdt onder de verdorvenheden aan de Duitse geest. Hij is het die  met zijn beschouwelijke houding zijn oog niet snel over de uiterlijkheden van de verschijnselen laat glijden maar zijn geestesoog gebruikt om door te dringen tot de kern ervan. Het zijn de hoogsensitieven die twijfelend en met ingehouden daadkracht door het leven gaan. Voor deze lezer en van deze mens wil Friederich Nietzsche de heraut zijn.

 

Advertenties