DENKEN MACHINES?

Kunstmatige intelligentie is een van de speerpunten van de huidige technologie discussie. Op een van de meest vooraanstaande discussie websites in de wereld (http://edge.org) is de vraag van 2015:

Wat denk je van machines, die denken.

Veel geleerden zoals neurowetenschappers, theoretische fysici, psychologen, evolutionaire biologen, robotica specialisten, economen, enz, enz. geven daar hun visie op deze vraag.

Onder hen zijn veel nuchtere lieden. Zij bespreken de stand van zaken en werpen een blik vooruit. Niet teveel vooruit, want volgens hen valt nauwelijks te voorspellen hoe de samenleving zal veranderen door toepassingen van kunstmatige intelligentie. Ze zijn er echter meestal wel van overtuigd dat de veranderingen, door de steeds verder gaande toepassing van Artificiële Intelligentie (AI), ingrijpend zullen zijn.

Maar er zijn ook wetenschappers die te hoop lopen tegen de invloed die AI zal hebben in de zeer nabije toekomst. In de dertiger jaren van deze eeuw zal de rekenkracht van de processors (op basis van de wet van Moore) zo zijn toegenomen en zijn de algoritmen zo ‘slim’ geworden, dat te vrezen valt dat AI de menselijke intelligentie overtreft. De singulariteit heeft dan zijn intrede gedaan. Intelligente machines worden hun eigen programmeur en gaan zichzelf produceren op basis van hun eigen algoritmen. Onder die wetenschappers zijn niet de minste zoals Stephen Hawking en de ondernemer Elon Musk de CEO van het automerk Tesla.

Jaron Lanier een computer programmeur op het gebied van virtuele realiteit en computerwetenschapper heeft naam en faam in het veld van AI. In een conversatie met Edge.org geeft Lanier zijn visie op AI. Zijn invalshoek is dat van AI een mythe is gemaakt. Door het vergelijken van een algoritme met biologisch leven ontstaat er een mythologisch horror verhaal over machines die ons de baas zullen worden.

De achtergrond van die mythe lijkt op dat van een georganiseerde religie, waarin een God wordt gepresenteerd waaraan mensen dienstbaar moeten zijn. Uiteindelijk blijken de diensten voornamelijk in het belang van de priesterkaste van die religie te zijn.

Er zijn niet veel toepassingen van AI die ook maar enigszins lijken op het totaal van het menselijk handelen en de daarin geïncorporeerde intelligentie. Als ik een lezer ben en een nieuw boek wil aanschaffen kan de Amazon of Bol.com computer mij helpen. Op basis van mijn voorafgaand koopgedrag, kan hij een voorkeurslijstje samenstellen uit een datapool van de keuzes van andere lezers die boeken hebben gekocht. Dit heet datamining. De algoritmes van patroonherkenning die hierbij worden gebruikt hebben hun beperkingen. Commercieel mogen ze geslaagd lijken. Ze nopen (denk ook aan manipuleren) de lezers ertoe boeken te kiezen uit het voorkeursbestand. Maar als ze dat doen dan beperken ze tegelijkertijd de reikwijdte van het algoritme. Naarmate meer mensen het voorstel volgen wordt de verscheidenheid aan keuzes beperkter. Er komt immers geen nieuwe data meer binnen. De biologische intelligentie van een mens kiest echter ook buiten een geijkt patroon. Deze intelligentie is niet gereduceerd tot een causale keten maar wijkt af ‘zonder reden’. Zij volgt het peuter adagium ‘omdat ik dat wil’.

AI op zichzelf biedt ons grote voordelen zoals andere technische verworvenheden dat ook doen maar het is een puur technisch verschijnsel en kan niet worden vergeleken met de biologie van het leven. Het vergelijken van mens en techniek loopt spaak. AI produceert geen post-humane menssoort. De homo sapiens wordt niet opgevolgd door een homo technologicus. De biotoop van de homo sapiens is de laatste 200 jaar al geëvolueerd tot een leefwereld waarin het gebruik van natuurkrachten (spierkracht, windkracht, waterkracht, paardenkracht) is vervangen door machinekracht. Het eerste machine tijdperk. In het tweede machine tijdperk opgevolgd door de rekenkracht van het algoritme. De homo sapiens heeft dit technisch universum voortgebracht op grond van zijn biologische intelligentie, die echter zelf niet-technisch is, maar wel uiterst kwetsbaar is en om bescherming vraagt.

Als we AI en haar algoritmes op de juiste manier blijven gebruiken vormen zij vanuit zichzelf geen bedreiging. Integendeel ze kunnen een economische zegen zijn en de mens helpen zich te ontwikkelen van de kwantitatieve homo economicus tot homo ethicus. In die laatste hoedanigheid bereikt hij een stadium waarin hij niet meer in het zweet zijns aanschijns ploetert voor zijn primaire levensbehoeften. Die worden gemaakt door intelligente machines. Al zijn energie kan hij vertalen in het genereren van kwalitatieve verbeteringsvoorwaarden voor zijn vrijheid.

Als we daarentegen in een mythologie gaan geloven van de bedreigingen die ons te wachten staan zoals intelligente machines die de wereld gaan overnemen en de menselijke beschaving en mensheid zullen vernietigen dan hebben we wel een probleem. Maar dan is het probleem niet het autonome algoritme dat die bedreigingen produceert, maar de mythe die we rondom AI creëren. De elite van de hoge priesters van de technologie kan er wel bij varen door een angstgevoel voor een tsunami van negatieve effecten van de toepassing van AI te verbreiden. Alleen zij kunnen vervolgens bemiddelen tussen de technologie-god en het volk van digibeten. De aflaten zullen rijkelijk in hun richting vloeien totdat er een Luther opstaat die het ontoegankelijke Latijn van het algoritme weet te vertalen naar een voor iedereen toegankelijk verhaal, ontdaan van zijn mythische horror proporties.

Twee dingen nog. Het eerste spreekt een enorm vertrouwen uit over de biologie en de mens als biologisch wezen dat niet achterhaald of ongedaan gemaakt zal worden door technologie. Lee Smolin vraagt zich in zijn bijdrage aan de discussie met Jaron Lanier af hoe we het in ons hoofd halen dat de rekenkracht van Google meer kan voortbrengen in een decennium dan wat in miljarden jaren van biologische evolutie is voortgebracht? De biologische mens zou achterhaald worden door de technologie in een tijdsbestek dat in geen enkele verhouding staat tot de miljarden jaren die de evolutie nodig had om eencellige zonder celkern te laten ontwikkelen tot meercellige met een celkern. Vervolgens nog eens miljarden jaren totdat de spraak zich daaruit ontwikkeld had.

Ten tweede. In de filosofie en zeker in de continentale filosofie, maar ook in de literatuur en de kunst staat technologie vaak in een kwaad daglicht of is zelfs het evenbeeld van het kwaad. Als je kennis als voorwaarde voor technologie beschouwt, begint het al met het eten van de boom der kennis van goed en kwaad in het scheppingsverhaal. Recentelijk sinds het eerste machine tijdperk zijn filosofen heel kritisch over technologie. Martin Heidegger heeft techniek tot hoofdonderwerp gemaakt van zijn ontologie. In ‘Die Frage nach der Technik’ probeert hij te achterhalen hoe techniek past binnen die zijnsleer. Zijn analyse levert niet veel goeds op. Techniek dreigt ons volkomen te vervreemden van onze pre-technische status. We raken totaal ingekapseld in wat hij noemt het ‘Gestell’ van het ‘techniek-zijn’. Dat geraamte bepaalt en overheerst met zijn dwingend karakter ons bestaan.

Harry Mulisch onze schrijver/filosoof is ook een fervent tegenstander van technologie omdat het de mens bedreigt in zijn menselijkheid. De menselijke ziel raakt overgeleverd aan het technische gekonkel van de industrie. Hij wordt verlengstuk van machines en zo verkocht aan de duivel, schrijft Mulisch in zijn ‘Ontdekking van de Hemel’:

“Een automobilist is geen voetganger in een auto, maar een totaal nieuw creatuur van vlees, bloed, staal en benzine. Het zijn moderne centauren, griffioenen, en die gerealiseerde fabelwezens zijn het enige, dat uiteindelijk over zal blijven, want zij zijn ontstaan op kosten van de natuur, van de mens, van ons en van de Chef. Met elk nieuw technisch ding is het menselijke leven automatisch zinlozer geworden.”

Zie Sander Bax 2015. P 315

Advertenties