Denkerij®

Toegepaste filosofie voor mensen, het bedrijfsleven en organisaties

Maand: juli, 2015

Ethiek, technologie en de volmaakte samenleving

Verdeeld over een aantal televisieavonden heeft Bas Heijne het wetenschappelijk en filosofisch spoor gevolgd, dat leidt naar de pogingen tot vervolmaking van de mens door technologie. De ‘Volmaakte Mens’ zal een technologisch hoogstandje worden dat: ouderdom heeft overwonnen, medisch fysiologisch te repareren blijft, met breinaanpassingen verlost is van psychisch lijden, genetisch te predestineren, door robots bevredigd in alle mogelijke behoeften, maar uiteindelijk overheerst door een algoritmische superintelligentie als resultaat van een technologisch evolutieproces. Exit mens!

Dit soort eschatologische bespiegelingen die het einde van de mens aankondigen, zijn eigenlijk niet erg interessant. Technologie en techniek zijn van grote invloed op de mens en de menselijke samenleving. Techniek heeft in heel veel opzichten bijgedragen aan het verbeteren van de menselijke levensomstandigheden. Maar, zal dat technologische verbeteringsproces ook het ultieme middel blijken voor het creëren van een optimale en dus volmaakte samenleving? Daarvoor zullen we toch eerst moeten vaststellen wat een volmaakte samenleving is. Of misschien moeten we wel vaststellen dat een volmaakte samenleving onhaalbaar is, zoals in een van de betekenissen van utopie; geen plaats.

Stel dat de samenleving toch te verbeteren is, hoe doen we dat dan? Puur technologisch? Zijn wij daarbij dan nog in staat om het middel techniek naar onze hand te zetten? Is de technologische vooruitgang niet dermate dwingend vanuit zichzelf, dat ze voor ons onbestuurbaar en onbeheersbaar wordt? Is zoiets als het mondiale financiële systeem inderdaad een vehikel zonder cockpit en piloot? Schept dat systeem geld als een dolgedraaide machinerie die continu kapitaal produceert? Is er iets of iemand die de vraag stelt of er een wezenlijke behoefte is? Of moet de geldproductie en het daaruit volgende ‘verschulden’ van de ‘muppets’ van deze wereld doorgaan, omdat het financiële systeem zichzelf in stand moet houden? De technologie lijkt in hoge mate te vervreemden van haar oorspronkelijke status als hulpmiddel om de schaarste op te heffen en voor het lenigen van primaire behoeften. Doorgedreven efficiënte productietechnieken gaan gepaard met uitgekiende marketingtechnologieën om behoeften te creëren, die het doordenderende aanbod moeten slijten zodat het productiesysteem in stand kan blijven. Zou de economisch gedreven samenleving waar iedere waarde noodzakelijk een prijs heeft, zich kunnen heroriënteren?

Met andere woorden, zouden we een samenleving kunnen vervolmaken op basis van meer ethische waarden en uitgangspunten? Een samenleving die niet uitgaat van het ‘homo hominem lupus est’ waarin het eigenbelang alleen kan worden gemuilkorfd door contracten? Het klinkt bijna als een mierzoete romantische komedie om te veronderstellen dat de empathische driften van de menselijke soort opgewassen zouden zijn tegen hebzucht of bezitsdrang. En toch, is de basis van bijna alle samenlevingen altruïstisch georganiseerd? In bijna geen enkel gezin vindt er een directe kosten baten verrekening plaats. Als relaties worden ingevuld op basis van een waarde beleving waaraan niet direct een prijs gekoppeld is, hebben we te maken met een fundamenteel andere setting dan een puur economische. Er overheerst dan niet uitsluitend het marktprincipe, dat de waarde van iets bepaalt in een gerealiseerde prijs. Waarden die we veelal het meest waarderen zoals zorg, vriendschap, vertrouwelijkheid, gastvrijheid, hulpvaardigheid enzovoort, leveren we of wisselen we uit zonder directe prijsbepaling en verrekening.

Een minimale extrapolatie vanuit die situatie naar een groter domein dan de enge ‘inner circle’ van je directe naasten, zou een enorme impact hebben op de kwaliteit van de samenlevingen. In moreel ethische zin zou er dan sprake zijn van een verschuiving in het grondconcept van de samenleving. Het primaat van de economische en technologische productiviteitsdrang die zorgt voor het vermeerderen van bezit en het opdrijven van consumptie, wordt verlegd. Het grondbeginsel voor het welvaren en welzijn van een samenleving keert terug naar de morele principes van de verlichtingsfilosofen en de eerste economen zoals Adam Smith, die eigenlijk moraal filosofen waren.

Terug van de bespiegeling naar de praktische realiteit. Kan die terugkeer nog wel? Hebben we als burgers nog wel de macht om veranderingen in de economische inrichting van onze samenleving aan te brengen? Is de macht van het financiële apparaat, het bestuursapparaat, het belang van de gigabedrijven zoals de energie-, farmacie- en technologieconcerns nog wel democratisch controleerbaar? Hebben we niet een nieuwe adelstand aan de bovenkant van de samenleving gecreëerd in de vorm van technocratisch gedreven systemen, die een eigen en dwingende dynamiek hebben, die de richting en inrichting van de samenleving bepaalt? In hoge mate wel. Maar als het gevaar het grootst is, is redding nabij. Een samenleving kan ferme stappen maken tegen de heersende gebruiken en belangen. Zo werd de slavernij afgeschaft op puur morele gronden, nadat deze meer dan 200 jaar was geaccepteerd. Kunnen we dat nu ook door het geldscheppend systeem van het genereren van schulden te beperken? Bijvoorbeeld door de hefboomwerking bij banken wettelijk in te dammen zoals dat tot de jaren 90 het geval was? Of wetten uitvaardigen die het onmogelijk maken dat er beloningsverschillen zijn, waardoor een CEO 300x de mediane beloning binnen zijn bedrijf,ontvangt? Of verhinderen dat de CEO van Lehman 400 miljoen uitgekeerd krijgt na het faillissement van zijn bedrijf?

Technologie is niet wat de mens volmaakt maakt en ook niet de samenleving. Technologie is een hulpmiddel. De principes voor verbetering van de mens en de samenleving berusten op ethische ideeën en overtuigingen die voorafgaan aan de praktijk van het menselijke handelen. Dat handelen dient juist genormeerd te worden door morele beginselen, zoals de gelijkwaardigheid van allen. Die waarde is logisch en feitelijk toetssteen van de praktijk van de samenleving. Voor het slagen van dit moeizame traject is geen tijdslimiet gegeven. De haalbaarheid ervan lijdt ook onder het adagium: tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren. Maar de wetten zouden we in ieder geval zelf moeten kunnen en willen bepalen.

Advertenties

DE DIGITALE ECONOMIE

De samenleving en economie zijn de laatste 25 jaar doortrokken geraakt van het verschijnsel digitalisering. Op veel gebieden en specifiek op het terrein van productie, communicatie en cultuur zijn bits heer en meester en breidt de macht van de digitale technologie zienderogen uit. Wat heeft dit voor gevolgen voor economie en samenleving? Vormt het een kans of bedreiging? Kunnen we aan de technologische vooruitgang nog richting geven of zijn we overgeleverd aan de dictatuur van de digitale innovaties? Met dit soort vragen houden Erik Brynjolfsson & Andrew Mcafee zich bezig in hun boek ‘Het tweede machine tijdperk’ (The Second Machine Age). Evenals ik dat ben, zijn de auteurs enthousiast over wat de digitale revolutie heeft voortgebracht op de gebieden van economie, communicatie, mobiliteit, welvaart, welzijn enz. Er is een exponentiële groei ontstaan op al deze gebieden en de groeicurve laat nog steeds een bijna verticale stijging zien. Maar is een kritische tot zeer kritische houding niet op zijn plaats zodat deze technologische revolutie niet zoals alle eerdere zijn eigen kinderen opeet? De technologische digitalisering dreigt vooral de verdeling van de economische opbrengsten volstrekt uit balans te brengen. Je kunt je afvragen of sociale rechtvaardigheid en het daaraan gekoppelde verdelingsvraagstuk van spreiding van inkomen en vermogen niet altijd al een onhaalbaar en utopisch streven is geweest? In ieder geval staat het de laatste 200 jaar voortdurend op de politieke agenda. Een oplossing ervoor tekende zich in de samenleving na WOII langzamerhand af. Zowel in de Angelsaksische samenleving als in de Europese op het Rijnlandse model gebaseerde politiek was er een redelijke consensus over verdelingssleutels voor de revenuen van de toenemende welvaart. Sinds de crisis van de jaren tachtig die het gevolg was van een gebrek aan innovaties en daarom een aanbodcrisis werd genoemd, is daar een kentering in gekomen. De digitale producten zowel in de vorm van hardware als software zorgden vanaf het begin van de jaren tachtig voor een ongekend snelle toename van de vraag naar die producten. In economisch opzicht groeide het BBP in de meeste westerse landen door de digitale innovaties van ‘Het tweede machine tijdperk’ behoorlijk. Bovendien zorgden geautomatiseerde systemen in productie, logistiek, communicatie, R&D, kennisindustrie en dienstverlening voor sterke efficiëntie verbetering met als gevolg lagere kosten en prijzen door een verbeterde productiviteitsgroei. Een aantal voorbeelden op consumentenniveau van zaken die in de nieuwe economie gevraagd en aangeboden worden met ongekende keuzemogelijkheden tegen zeer concurrerende prijzen: boeken beschikbaar bij Amazon met meer dan 2 miljoen titels tegenover enkele duizenden titels in normale boekwinkels en enkele 10-duizenden in grotere winkels. Dit geldt ook voor video’s en muziek. Reizen naar alle bestemmingen in de wereld en het verblijf daar in alle mogelijke categorieën onderkomens door middel van enkele muisklikken op concurrerende vergelijkingssites. Ook specialistische kennis wordt ondergebracht in software, waardoor zij binnen het bereik komt van consumenten tegen lage prijzen zoals navigatiesoftware en administratiesoftware, enz. Maar de reikwijdte en impact van de digitale technologie gaat nog verder en is vergelijkbaar met de invloed van de elektrificatie op de industriële productiviteit aan het begin van de 20e eeuw. Productiviteitsverbeteringen waren ook in die tijd afhankelijk van na-ijlende innovaties die pas werden gedaan toen de elektromotor al enige tijd beschikbaar was. De stijgende lijn van digitale toepassingen en hun invloed op de productiviteit vertoont opvallend genoeg een vergelijkbare curve. Zie onderstaande grafiek uit ‘Het tweede machine tijdperk’ die de stijging van de arbeidsproductiviteit vergelijkt: productiviteitsgroei Het gevolg van deze productiviteitsgroei is een sterk stijgend BBP. Maar hoe is nu de verdeling van die stijgende welvaart en overvloed geregeld? Niet best concluderen de auteurs. De gemiddelde inkomens en vermogens zouden sinds midden 90-er jaren toch moeten zijn gestegen als de herverdelingsmechanismen van na WOII zouden zijn toegepast. Het tegendeel is het geval. Alleen de bestedingsruimte van de gemiddelde arbeidskracht steeg op basis van de verruimde kredietmogelijkheden. En die sigaren uit eigen doos worden na de financiële crisis duur betaald. In hoofdstuk 9 staan de schrijvers uitgebreid stil bij oorzaken en gevolgen van de scheefgroei van inkomens en vermogens in de distributie van de overvloed. Een korte samenvatting. Een voorbeeld is Eastman Kodak dat in 2012 failliet gaat en waar op een gegeven moment ca. 150.000 mensen werkten. Die mensen en nog veel meer uit de toeleveringsketen hadden een inkomen uit de analoge foto industrie. Zij maakten het mogelijk dat jaarlijks miljarden kiekjes konden worden gedeeld door rolletjes te ontwikkelen en foto’s af te drukken. Het bracht welvaart voor de medewerkers en gezinnen. George Eastman werd heel rijk. In 2012 kocht Facebook het bedrijf Instagram dat met 16 mensen een app ontwikkelde waarmee 130 miljoen gebruikers ca. 16 miljard foto’s deelden. Facebook zelf had toen 1 miljard gebruikers en er werkten 4600 mensen waarvan 1000 technici. De marktwaarde van Facebook is vele malen groter dan die van Kodak en de 7 eigenaren of grootaandeelhouders (allen miljardair) zijn per man 10x zo rijk als George Eastman. Door deze verhoudingen is er een spreiding van inkomen en vermogen ontstaan die in niets meer lijkt op die van het pre-digitale tijdperk. De grote vraag is of een samenleving die toenemende ongelijkheid verdraagt terwijl er een ongekende overvloed voorhanden is? Als er in het verleden productiviteitsstijging was mede door verbetering van de technologie kwam die tot uitdrukking in loonstijging. Er waren wel overgangsperiodes en crisissen (thuiswevers moesten in de fabriek gaan werken, stokers op de trein gingen kaartjes knippen, enz.) maar de digitale technologie maakt de ‘shake out’ ongekend groot met name onder de ongeschoolde arbeidskrachten. Neveneffecten daarvan zijn de afnemende levensverwachting voor die groepen; tussen 1990 en 2008 met 5 jaar. Het vermogen van die groep neemt netto af en komt terecht bij de bovenste 5 procent. De welvaartsverdeling wordt steeds ongelijker doordat sommigen steeds kleinere stukjes ontvangen en andere steeds meer. Wat voor vermogen geldt, gaat ook op voor de inkomensverdeling. Het gemiddelde inkomen is sinds 1979 nauwelijks omhoog gegaan en sinds 1999 zelfs gedaald. Toch zijn BBP en productiviteit in die periode enorm gegroeid. Nog een grafiek die de inkomensverdeling van die groei aangeeft: inkomensontwikkeling De oplossing voor de gevolgen van de aanmerkelijke scheefgroei in de inkomensverdeling loopt tegen het economisch probleem van het scholingsniveau van arbeidskrachten aan. De digitale economie stelt veel minder mensen met een lagere scholing in staat om mee te doen als arbeidskracht. Het verkleint hun inkomen en de inkomenskloof wordt vergroot. Hun rol als productiefactor is vergelijkbaar met die van het paard na de landbouwmechanisatie. De digitale revolutie dreigt op de wat langere termijn toch zijn kinderen op te eten. We zullen moeten kijken naar oplossingen waardoor inkomensvoorzieningen los komen te staan van individuele arbeidsproductiviteit. Het deel van de menselijke arbeid neemt steeds sneller af. Die cijfers zijn exponentieel. De productiefactor arbeid neemt een digitale gedaante aan. Grote gedeelten van de bevolking blijven achter en kan onvoldoende in zijn eigen inkomen voorzien. De uitdaging is daarvoor een oplossing te zoeken. Het overblijvende werk herverdelen? Creatieve tijdsbestedingen ontwikkelen zonder dat ze een noodzakelijke inkomensvoorziening zijn maar wel zinvol en deel van een levensbestemming? Het begrip werk herijken? Deze en andere vragen en problemen zijn een gevolg van de grote sprong voorwaarts waarmee ‘het tweede machine tijdperk’ en de daaraan gekoppelde economie en samenleving zich geconfronteerd zien.