De digitale dreiging, technologie en moraal.

In een toekomstige tijdlijn zal de periode waarin we nu leven gekenmerkt worden als een tijd waarin niet onze kijk op de werkelijkheid is veranderd, maar als een tijd waarin de werkelijkheid zelf is veranderd. Het oxymoron ‘virtual reality’ ontdoet zich langzamerhand van zijn paradoxale betekenis doordat het virtuele bestaan tot werkelijkheid wordt. Wij verkeren midden in dat proces.

Er doen zich op allerlei gebied kenteringen van revolutionaire proporties voor. De reële economie verliest snel terrein op de financiële – in hoofdzaak digitale – economie. De waarde van de klassieke waren opgebouwd uit grondstoffen die door arbeid en kapitaal van een meerwaarde werden voorzien, wordt vervangen door de volatiele waarde van producten die bestaan uit bits en bytes. De prijsstructuur van de nieuwe digitale producten is vrij ondoorzichtig. Het lijkt gratis maar je betaalt indirect door je bloot te stellen aan de marketing rondom het product. Ook is de informatie over je gedrag op internet en sociale media een betaalmiddel omdat slimme algoritmes daarna je koopgedrag beslissend kunnen sturen.

Daarnaast ontstaat er een vacuüm in het genereren van inkomen. De klassieke vaardigheden gekoppeld aan een vakmanschap zijn steeds minder gevraagd. Bijna ieder bereik van de productiewijzen van de klassieke economie is vertaalbaar in algoritmes. De benodigde productiemiddelen hoeven zich niet te voeden, te verplaatsen of te huisvesten. De zo verkregen besparing op de loonkosten maakt het zo verkregen eindproduct (reëel of virtueel) spotgoedkoop. Maar door het weinige werk dat overblijft in de eroderende reële economie worden die producten toch weer te duur. De massa’s zich aanbiedende ‘handarbeiders’ concurreren zich dood vanwege de scheefgroei van vraag en aanbod. In hun Verelendung worden ze nog eens extra belaagd door de algoritmes die hun prijs/loon onder druk zetten. Denk aan Uberpop dat altijd de goedkoopste rit levert.

In een vlammend en pamflettistisch betoog geeft Hans Schnitzler in zijn essay ‘Het digitale proletariaat’ een inkijk in een mogelijk toekomstige wereld waarin het slecht toeven is. Deze dystopie – het tegengestelde van een utopie, begrepen als een plek waar het goed toeven is – is volgens hem gevaarlijk dichtbij. Technologie en technocratie treden in zijn analyse op als de verworvenheden van de mens die zich voltrekken langs een scenario, dat uit de hand loopt. Hoewel de mens door en door een techniekwezen is levert de huidige technologie-analyse een diagnose op, die een zware technologie-therapie nodig maakt. De industriële revolutie heeft in de 19e eeuw een samenleving gecreëerd waarin de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal volkomen scheefgetrokken waren. De digitale revolutie draagt ook veel kenmerken van een onthutsende scheefgroei tussen de grootdata bezitters van het digitale kapitaal en de proletariers. Zij vervreemden van hun menselijke waardigheid in de technotoop waarnaar ze verbannen worden.

Er is een troost. Wat Schnitzler schetst, lijkt nog te staan gebeuren. Er is een dreiging maar de code rood van deze voorspelling kan door een slag van een vlindervleugel in het oerwoud van Brazilië aangepast worden. Tenminste voor degene die geloven in een causaal gestructureerde werkelijkheid. Ik behoor daar niet toe. De toekomst is volgens mij vrij, maar er moet aan die toekomst gewerkt worden. In de eerste plaats door erover na te denken. Wat zouden we willen? Grammaticaal is ‘zouden’ een toekomstige en hypothetisch tijd. Ingebakken in de manier waarop we ons uitdrukken in taal, als we het hebben over een toekomst. In die toekomst woont de hoop.

In het digitale tijdperk zijn we gewend de opvolgende versies van software releases aan te duiden met een cijfer. De mens 1.0, de eerste versie van de mens, definiëren we dan als een mensaap die gebruik maakt van werktuigen. De mens 2.0 als een homo sapiens die gebruik maakt van machines en de mens 3.0 als de digitale mens die de werkelijkheid een binaire status heeft gegeven. In al deze versies wordt hij bepaald door technologie. De mens is wezenlijk technisch. In zijn evolutie zijn er tijdperken geweest dat de ontwikkeling van zijn technisch vermogen bijna stilstond. De homo sapiens van 10.000 jaar geleden verschilt niet zo heel veel van die van 500 jaar geleden. In de laatste 200 jaar is de mens 2.0 als machinewezen geperfectioneerd. Logistiek brengt hij grote delen van zijn bestaan door op, in of met machines. In de laatste 30 jaar, met een exponentiële versnelling in de laatste 10 jaar, heeft de mens 3.0 een digitaal universum gecreëerd als zijn nieuwe habitat. Wat er nog over was van zijn fysieke modus als natuur wezen is haast overvleugeld door zijn modus als digitale geest. Zijn lichaam is opgegaan in een digitaal spoor in een gigantisch datalandschap. Het lijkt mij zeer spannend deze evolutie te volgen.

In die ontwikkeling moeten we ons aanpassen. De bestaansvoorwaarden veranderen door de technologie razendsnel. De ‘fight for the fittest’ was ook bij Charles Darwin al voornamelijk een aanpassingsstrategie. Die strategie kent misschien wel een impliciete moraal. De moraal van de aanpassing. Afhankelijk van de veranderende omstandigheden zullen we moeten bemiddelen (mediatie) tussen de morele canon van weleer en de nieuwe situatie. De technologie die steeds sneller en massiever ingrijpt in ons bestaan, belast ons daarin met een moreel zware taak.

De ethische overbelasting die ons te wachten staat is een van de onderwerpen van het boek van Peter-Paul Verbeek ‘Op de vleugels van Icarus’ Hij pleit daarin om ons niet te verzetten tegen de ontwikkelingen van de technologie. We moeten er midden in gaan staan en van daaruit ons standpunt bepalen. Morele voortreffelijkheid kan niet verkregen worden door zuiverheid te propageren vanuit een externe positie. Pas als de technologische vooruitgang ons confronteert met morele vragen, moeten we daarop een antwoord formuleren. Niet-technologische waarden kunnen daarbij best als criterium worden gebruikt.

Er zijn chips ontwikkeld die op nano niveau biologische meetwaarden genereren zoals de lengte van spermatozoïden. Daarmee kunnen dragers van x of y chromosomen geïdentificeerd worden. Zodoende valt er een selectie te maken tussen mannelijk en vrouwelijk nageslacht. In de bio-industrie een commercieel aantrekkelijke techniek. Maar wat doen we er mee als we onze kinderwens in vervulling willen laten gaan?

Zo komen er veel meer algoritmisch gedreven morele vragen op ons af. In de medische zorg is er al een soort permanent moreel beraad gaande. Moet alles wat medisch technologisch mogelijk is ook als ‘gezondheidsproduct’ worden aangeboden? Of moet onze verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid verregaand gequantificeerd (quantified self) worden omdat het algoritmisch mogelijk is? Het zijn keuzes waarover we ons moeten beraden. Daarbij moeten we ook rekening houden met het menselijk tekort als onderdeel van de menselijke waardigheid. Technologie en ethische dilemma’s zullen de politieke arena in de nabije toekomst moeten bevolken.

Techniek en moraal moeten in balans gebracht worden door te kiezen voor hét pad van de deugdzaamheid; het juiste midden. Als Icarus naar Daedalus had geluisterd en het juiste midden had gehouden tussen het zoute water van de zee en de hitte van de zon, was hij niet in zee gestort. Hybris of hoogmoed is echter een van de kwalijkste eigenschappen van de menselijke soort. Er valt dus ook wat te vrezen.

Advertenties