VOOROORDELEN

door Denkerij®

In 2011 kwam Daniel Kahneman met een belangrijk boek met de titel ‘Thinking Fast, thinking slow’. In de studie wordt beschreven hoe Kahneman als sociaalpsycholoog, die later de ‘Nobelprijs voor Economie’ won, langzamerhand ontdekte dat het denken van economisch handelende mensen zich manifesteerde in twee vormen. In de ene vorm denken we zorgvuldig na over besluiten en gaan we alle voors en tegens af voordat we handelen; thinking slow. In de andere vorm laten we de zorgvuldigheid varen en maken we een inschatting op basis van een snelle beoordeling van de situatie. Vaak in situaties die we als onzeker ervaren; thinking fast. Bijvoorbeeld als we moeten beslissen of we bij een aankoop van een apparaat een extra garantieverzekering voor vijf jaar moeten afsluiten, sluiten we die in de meeste gevallen af, terwijl een eenvoudige kansberekening leert dat het eigenlijk nadelig is. Het inschattend calculeren dat ons denken feilbaar maakt (titel van zijn boek in het Nederlands) gebruiken we veelvuldig in ons economisch handelen van de aankoop van een apparaat tot het doen van miljarden investeringen. Hét axioma van de klassiek economische wetenschap dat de mens een rationeel calculerend wezen is dat handelt op basis van zijn welbegrepen eigenbelang, is door de statistische analyses van Daniel Kahneman en Amos Tversky achterhaald.

Maar niet alleen in ons economisch handelen denken we vaker snel dan langzaam. Bij allerlei zaken waar we de indruk hebben dat we zelf aan het stuur zitten en goed kunnen rijden, doen we maar wat. We blijken brokkenpiloten die de snelheid en de afstand verkeerd inschatten en het beter weten dan ons navigatiesysteem. Onze hersens zijn lui en hebben geen zin allerlei informatie te verwerken. Intuïtief nemen we beslissingen en beoordelen we situaties volkomen verkeerd, die voor ons en andere van groot belang zijn. We nemen de tijd niet en overwegen onze twijfels onvoldoende. We verkeren onbewust in angst en onzekerheid en laten dat niet toe. We willen doortastend en doeltreffend besluiten nemen, ook al zijn ze gebaseerd op clichés, vooroordelen en verkeerde inschattingen.

Het oordelen over of beoordelen van de werkelijkheid waarin we ons bevinden is heel lang bepaald geweest door traditie, cultuur, gewoonte, gebruiken, opvoeding enz. In de Verlichting begon Immanuel Kant (1724-1804) daar anders over te denken. Kant die nagenoeg alles wat de filosofie en de wetenschap tot dan toe hadden voortgebracht, herdacht en erover publiceerde, had een hoofdthema: vrijheid of autonomie. Hij wilde onze kennis zuiveren van wat haar bepaalde op basis van de overerfde vooroordelen uit geloof, traditie en cultuur. Hij maakte onderscheid tussen een oordeel dat was verkregen nadat haar geldigheid was getoetst door onze kritische rede en een oordeel dat ons was opgelegd door geloof en traditie en waar wij niet in vrijheid van hadden kunnen abstraheren buiten iedere autoriteit en beïnvloeding. Het was Kant daarbij in hoofdzaak te doen om de autonomie van het menselijk subject dat een zelfdenkend en zichzelf bepalend wezen is dat zijn eigen leefregels (maximes) vaststelt op grond van een kritische reflectie.

Het toetsen van uitspraken en oordelen op hun geldigheid zodat ze in de zin van Kant tot objectieve kennis leiden is heel bepalend geweest voor denken, wetenschap, rechtspraak, politiek en cultuur na de Verlichting. Het zuivere of objectief oordeel en de methodologieën om dat te bereiken zijn tot op heden de hoekstenen van onze westerse beschaving. Hierin passen geen vooroordelen, hoewel diezelfde westerse samenleving er op straatniveau nog steeds van is doordrenkt.

De vraag is of het streven naar objectieve kennis die het gevolg is van geabstraheerde en zuivere oordeelsvorming dus zonder vooroordelen, wel berust op de juiste aannames? Is het überhaupt mogelijk, gewenst en geldig om aan te nemen dat wij een objectief universum van de menselijke geest kunnen creëren? Mocht dat niet zo zijn, waarom overheerst dit paradigma dan nog steeds onze samenleving? Zijn er alternatieven? Moet de menselijke conditie niet op een fundamenteel andere manier worden begrepen? Moeten we onze wijze van oordelen niet bevrijden van een subject-object benadering? Staan wij tegenover een werkelijkheid waarover of waarvan wij ons een zuiver en objectief beeld moeten vormen of die wij op een zuivere manier, liefst abstract mathematisch moeten beschrijven?

Adam A. Sandel beweert in zijn boek ‘Place of Prejudice’ dat is vertaald als ‘Ruimte voor vooroordelen’[1] dat we de benadering van Kant moeten heroverwegen. Het beeld van een objectieve werkelijkheid is toe aan een hermeneutische deconstructie. De belangrijkste filosofen die Sandel ten tonele voert zijn Martin Heidegger (1889-1976) en Hans-Georg Gadamer (1900-2002). Heidegger heeft in zijn hoofdwerk ‘Sein und Zeit’ (1927) de werkelijkheid beschreven als een fundamenteel menselijke werkelijkheid waarin het abstraherend vermogen van de menselijke geest om die werkelijkheid te objectiveren en te duiden een bijrol is toebedeeld. De werkelijkheid heeft altijd een horizon. Onze leefomstandigheden zijn verbonden met het perspectief waarin we ons leven ervaren en het uitzicht tot aan de horizon, dat ons gegeven is. Daarbinnen is het leven van mensen een ‘Dasein’ (grondterm van Heidegger) een ‘er’-zijn. We bevinden (befindlichkeit) ons op onze plaats in de wereld (in-der-Welt-Sein) die voortdurend in verandering is en waarin het leven in de tijd verloopt. Die plaats ervaren we als een werkplaats waarin we in eigenlijke zin (Eigentlichkeit) aan het werk zijn en ons ervaren als Dasein dat zijn werktuigen ter hand neemt (zuhanden). Een timmerman is niet timmerman omdat hij het object (vorhandenes) hamer bezit (Uneigentlichkeit), maar omdat hij het in zijn werkplaats gebruikt om te hameren. De essentie van zijn Dasein drukt hij met het hameren uit en hij verbindt zich daarmee met de wereld. In die wereld is hij terecht gekomen omdat hij erin geworpen is (de worp van het geboren worden) en in deze geworpenheid (Geworfenheit) moet hij zijn plaats vinden. Dat doet de mens als Dasein door zijn geworpenheid ongedaan te maken door zijn leven te ont-werpen, de geworpenheid teniet te doen. Hij is de wereld in gestuurd (geschickt) en moet zich verzoenen met zijn lot. (Schicksal). Het doorlopend proces waarin hij binnen het perspectief van zijn in-de-wereld-zijn het hem ter beschikking staande werktuig terhand neemt om zijn levensontwerp te voltrekken is een bezorgen (Besorgen). Door het hameren bouwt (bezorgt) hij een huis. In het huis kan de mens wonen. In zijn woning voelt hij zich veilig. Hameren, bouwen, wonen, veiligheid zijn bezorgd. Het Dasein drukt zichzelf uit in zijn zorgen. (Sorge). Het menselijke bestaan (existeren) is in essentie zorgen.

Dit uitstapje naar het denken van Heidegger in een notendop is belangrijk om het verschil uit te drukken met de abstraherende subject-object benadering van de werkelijkheid van Kant. Kant noemde zijn kentheoretische analyse een Copernicaanse omwenteling omdat hij had aangetoond dat het ‘ding-an-sich’ niet door ons gekend kon worden. Die fundamentele vervreemding wordt door Heidegger opgeheven omdat ons kennen van de werkelijkheid eerst als ware kennis verschijnt in het terhand (zuhandenes) nemen, in het Dasein als levensproject, in het verhaal van de mens. Onze analyses van de objecten als voorhanden (vorhandenes) dingen zowel in de wetenschap als in de economische productie is slechts een aspect van ons in de-wereld-zijn.

Wat heeft dit tot slot nu te maken met ‘vooroordelen’? Sandel noemt het in-de-wereld-zijn een gesitueerd begrijpen van onze werkelijkheid, een verhalende interpretatie. (Gadamer) Ons kennen is in deze zin hermeneutisch. De feiten die zich aan ons voordoen, moeten in een betekenis perspectief worden geplaatst. We creëren een matrix van oordelen over onze ervaringen in de werkelijkheid. Die oordelen staan niet op zichzelf maar zijn verbonden met al het andere wat we bewust of onbewust registreren en waaraan we betekenis moeten geven. Deze hermeneutische duiding is een proces van oordelen en beoordelen van wat aan ons voorbij trekt aan levensfeiten. In die zin is ons oordelen altijd voorlopig en is er sprake van vooroordelen. We kunnen in een debat een ferm standpunt innemen en dat als waar aanmerken (thinking fast) terwijl we zouden kunnen weten dat het een abstractie is gebaseerd op een aantal voorlopige oordelen; vooroordelen. Pas als we onze oordelen onderdeel maken van een breed perspectief waarin ons denken (breeddenken) zich voltrekt tegen een tijdshorizon van gebeurtenissen kan er langzamerhand een gewogen oordeel ontstaan. (thinking slow). Maar ook dan is het geen eindoordeel en in die zin blijft het een vooroordeel.

 

[1] Volgens mij had de titel ‘Plaats van het vooroordeel’ moeten zijn omdat ‘plaats’ of gesitueerdheid een centraal begrip vormt in zijn uiteenzetting. Bovendien bespreekt hij het denken van Martin Heidegger waarin de begrippen ‘Raum, Umgebung, Nähe, Platz’ in aflopende uitgebreidheid ‘ruimte’ definiëren. Het engere begrip ‘plaats’ als de plaats waar je iets neerlegt, maakt de rol van het vooroordeel ook veel kleiner dan wanneer je het veel ruimte geeft en het op allerlei plaatsen in de ruimte tegenkomt.

 

Advertenties