Denkerij®

Toegepaste filosofie voor mensen, het bedrijfsleven en organisaties

Maand: maart, 2016

Identiteit, vrije wil en bewustzijn

Er is de laatste jaren naar aanleiding van de resultaten van veel wetenschappelijk hersenonderzoek een discussie ontstaan over wie, wat of hoe wij zijn. De mens wordt van oudsher gezien als een op zichzelf bestaand wezen dat zich bewust is van zijn zelf-zijn en in staat om dat zelf-zijn te bepalen. De discussie nu trekt sterk in twijfel of wij ons kunnen beroepen op een identiteit die mede door ons eigen handelen tot stand wordt gebracht. Doordat we ons bewust zijn van onszelf zouden we ook in staat zijn om richting te geven aan ons handelen. We kunnen kiezen hoe en wat we willen en hebben daarom een wil die vrij is.

Nee, zeggen de meeste hersenonderzoekers zoals Dick Swaab, Victor Lamme, Sam Harris en vele anderen; de vrije wil is een illusie. Mensen zijn net als alle andere wezens en niet-wezens in de natuur of de werkelijkheid, atomaire, fysische samenstellingen, waarin processen verlopen die onderhevig zijn aan natuurwetten. Die processen verlopen via het causaliteitsprincipe waarbij ieder effect noodzakelijk het resultaat is van een voorafgaande oorzaak. Het proces is deterministisch bepaald en elk volgend stadium kan gereduceerd worden tot een voorafgaande fase. Dit is ook zichtbaar als we onze hersens bekijken via een MRI-scanner. Daarin wordt aangetoond dat neuronen al vuren en synaptische verbindingen leggen vóórdat we overgaan tot handelingen en vóórdat we ons bewustzijn van wat we doen en hoe we het doen. Dit causaal determinisme is het overheersend paradigma in de behaviouristische cognitiewetenschappen.

Filosofen als Daniel Dennett zijn het niet eens met dit paradigma. Dennett verzet zich met volgens mij sterke argumenten tegen het idee dat wij als zelfbewuste wezens niet zouden beschikken over een vrije wil. In een lezing en discussie die hij onlangs hield in Amsterdam en Nijmegen, over de ideeën van de eerdergenoemde hersenonderzoekers, komt hij tot de conclusie dat een vrije wil wel degelijk tot de uitrusting van de zelfbewuste mens behoort. Hij ontkent daarbij niet wat het hersenonderzoek tot nu toe aan resultaten heeft opgeleverd, maar hij vindt de filosofische interpretatie van de resultaten (Wij zijn ons brein, Vrije wil bestaat niet) niet houdbaar.

Stel zegt Dennett, dat we geen vrije wil hebben, dan kunnen we ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor onze daden en bestaat er zelfs geen moraal. Als echter redelijke overwegingen ons handelen determineren waardoor wij ons leven betekenis geven doordat we kiezen voor dit en niet voor dat, dan is er – tenminste in praktisch opzicht – sprake van een vrije wil. Bovendien hebben we dan ook een morele verantwoordelijkheid of morele competentie, die een noodzakelijke voorwaarde is voor een vrije wil. Of nog een ander argument. Als ik kan voorkomen dat iets gebeurt dat onontkoombaar(unavoidable) of onvermijdelijk (inevitable) lijkt, dan beschik ik over een capaciteit (wilsvermogen) dat naar de toekomst een gedetermineerde causale keten kan doorbreken. Een simpel voorbeeld; ik buk voor een steen die in mijn richting wordt gegooid. In praktische zin is vrije wil vergelijkbaar met kleuren, beloftes en euro’s die ook allemaal niet het resultaat zijn van natuurwetten of aan de bomen groeien. Het zijn de creatieve resultaten van een praktische vrije wil.

Je zou zeggen; geen wonder dat dit debat nu wordt gevoerd! De empirische data die het resultaat zijn van de metingen van de neurowetenschap leiden nu pas tot inzichten die oude filosofische ideeën kunnen corrigeren. Integendeel! Identiteit, vrije wil en bewustzijn stonden sinds de jaren 70 van de 19e eeuw in het centrum van het toenmalige wetenschappelijke debat. Het was ook de tijd van de evolutietheorie. Een van de filosofen die zich daar mee bezighield, was Friederich Nietzsche (1844-1900). In de ‘Fröhliche Wissenschaft’ (paragraaf 354) een van zijn latere werken (1882) bespreekt hij het bewustzijn. Hij zegt daarin dat we kunnen denken, voelen, herinneren en handelen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Ons bewustzijn is slechts een spiegel die we niet nodig hebben opdat ons leven zich voltrekt.

Maar waarom heeft het bewustzijn zich dan toch ontwikkeld? Daarvoor waren min of meer praktische redenen. In de evolutie ontwikkelde de taal zich als communicatiemiddel; door Nietzsche het vermogen om mede te delen genoemd (Mitteilungsfähigkeit) op basis van de behoefte aan communicatie (Mitteilungs-Bedürftigkeit). Nietzsche zegt dat: „das Bewußtsein überhaupt sich unter dem Drucke des Mitteilungs-Bedürfnisses entwickelt hat“. Het was dus nuttig en praktisch voor de mens, dat het bewustzijn zich ontwikkelde om van mens tot mens te kunnen communiceren. Die communicatie in taal en gebaren was nodig omdat de mens een bedreigd dier was dat het nodig had om de hulp en bescherming van zijn soortgenoten in te roepen.

Vanuit het bewustzijn ontwikkelt zich allengs ook het zelfbewustzijn. Als sociaal dier wordt de individuele mens door de woorden en tekens van de communicatie zich steeds meer van zichzelf bewust. Dat is volgens Nietzsche geen zegen, omdat het bewustzijn eigenlijk alleen nuttig en nodig is, om te voldoen aan de behoefte van de mens als gemeenschapswezen en als kuddedier. Daarin ligt ook het grote conflict en de vervreemding omdat wij ons als individu en als zelfbewust ervaren. In die ervaring manifesteert zich echter juist het niet-individuele van het bewustzijn. (het dividuum, het gedeelde, het algemene) Onze handelingen zijn zonder meer persoonlijk en individueel maar als wij ze ons bewust zijn, zegt Nietzsche, verliezen we die persoonlijke en individuele identificering weer. Dan overheerst ons dierlijke bewustzijn weer. Bewust worden en bewustzijn is afkomstig uit de algemene wereld van ons kuddedier-zijn en daardoor vlak, dun en relatief dom. Het bewuste denken is het kleinste deel van ons denken dat in hoofdzaak onbewust is. Het bewustzijn behoort eigenlijk niet tot de mens als individu. Het is het residu van zijn kuddenatuur. Als we dan vervolgens ons individueel bewustzijn zien als onze bron van kennis dan moeten we ons sterk afvragen of dit bewustzijn wel het orgaan voor het kennen of de waarheid is. Het is in ieder geval niet de plaats waar ‘ding an sich’ en ‘Erscheinung’ aan elkaar worden gesmeed.We kennen waarschijnlijk alleen precies datgene wat nuttig is voor de soort. Wat als nuttig in ons individueel bewustzijn verschijnt en overblijft, beweert Nietzsche, is slechts dat wat we geloven, een illusie, een noodlottige domheid, waaraan we eens te gronde zullen gaan.

Deze messcherpe analyse van het bewustzijn van Friederich Nietzsche benadert de bevindingen van het moderne hersenonderzoek. Daarin wordt steeds meer duidelijk dat onze hersenen uitermate plastisch zijn waardoor onze zelfbewuste identiteit in klinisch opzicht inderdaad bijzonder ijl is. Deze ijlheid van wat wij voor onze unieke persoonlijke identiteit houden, kan verpulveren onder de externe druk van de omstandigheden en de druk van de wil tot macht en de overlevingsstrategieën van onze soort. In het verlengde van de analyse van het bewustzijn heeft ook de vrije wil weinig bestaansrecht volgens Nietzsche omdat binnen het grote geheel van ‘de mens’ er vermogens en krachten zijn die de zelfbepaling tenietdoen.

Misschien maakt Nietzsche het allemaal te groot en te heroïsch vooruitlopend op zijn leer van de ascese, de Herrenmoral en de übermensch. Ik hou het voorlopig maar op de praktische vrije wil als morele competentie van Daniel Dennett maar zal me ook blijven laten uitdagen door de literatuur van Nietzsche.

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

De massavernietiging in Oost-Europa tussen 1932 en 1945.

In ons denken over de oorzaken die hebben geleid tot de massale vernietiging van mensenlevens na de 1e wereldoorlog is het beeld van Auschwitz vaak leidend. De Duitse nationaalsocialisten hadden op 20 januari 1942 in Wannsee een conferentie belegd die werd geleid door Reinhard Heidrich. Op de conferentie werd overlegd hoe het vraagstuk van de Jodenvervolging definitief kon worden opgelost (Endlösung). De Holocaust (letterlijk; volledig verbrand) was al begonnen door de Einsatzgruppen van de SS in Oost-Europa met medewerking van lokale ongeregelde strijdgroepen. Op de ‘Wannseekonferenz’ werd naar een oplossing gezocht voor het efficiënter vernietigen van de ‘Jood’. De klopjachten van dat moment in Oost-Europa op Joden en de organisatie van de massa executies – binnen 48 uur werden in het ravijn van Babi Yar bij Kiev 33.000 Joden door continu geweervuur vermoord – kostten veel te veel capaciteit. Adolf Eichmann, die ook deelnam aan de conferentie werd belast met het opzetten van vernietigingskampen. Die kwamen in Oost-Europa waar met behulp van industriële technieken uit de massaproductie, meer dan 3 miljoen Joden werden vermoord.

Toch is dit beeld van Auschwitz als het epicentrum van de 20e-eeuwse genocide op zijn minst onvolledig. Massavernietiging van mensen om politiek ideologische redenen was al een fenomeen voordat Auschwitz werd gebouwd en Zyklon B werd toegepast. In twee boeken van de historicus Timothy Snyder (‘Bloedlanden’ 2010 en ‘Zwarte Aarde’ 2014) wordt uit de doeken gedaan hoe het tot op dat moment ongekende fenomeen van politiek gestuurde massavernietiging ontstond en gedragen werd door ideologische waandenkbeelden. Snyder heeft de data die al beschikbaar waren uitgebreid met de gegevens uit Oost-Europese archieven, nadat hij zich de talen had eigengemaakt waarin de oorspronkelijk documenten en getuigenissen waren geschreven. In ‘Bloedlanden’ neemt hij de Oekraïne als het middelpunt voor zijn analyse van het zonder mededogen nastreven van politieke idealen die aan miljoenen mensen het leven kostten.

Joseph Stalin had besloten dat de Sovjetunie die in begin twintiger jaren was ontstaan nadat de Roden de strijd tegen de Witten hadden gewonnen, versneld moest industrialiseren. Niet alleen de industrie in de steden moest op een hoger plan worden gebracht, maar ook moest de landbouw met zijn kleine boeren op het platteland worden hervormd. Oekraïne dat naast Rusland het grootste land van de Sovjet-Unie was en waar de landbouwgronden zeer vruchtbaar waren, werd als eerste gedwongen de landbouw te collectiviseren. Als gevolg daarvan raakten grote delen van het platteland ontvolkt en verhongerden de kleine boeren die naar de steden werden verjaagd. De zeer schrijnende getuigenissen die Snyder las en beschrijft in ‘Bloedlanden’ zijn erger dan iedere fictie die in horrorscenario’s wordt verbeeld. In de realiteit van begin dertiger jaren kwamen ongeveer 3 miljoen mensen in de Oekraïne om van de honger. Daarna voerde Stalin in de jaren 36-38 zijn Grote Terreurcampagne uit, die het gevolg was van zijn uitdrukkelijk bevel om de Sovjetunie te zuiveren van alle anticommunistische elementen en waarbij bijna 1 miljoen mensen werden doodgeschoten en 100-duizenden werden verbannen naar de Goelag archipel. Deze politiek gestuurde ideologische massavernietiging werd ondersteund door het Politbureau om de utopie (het ‘grotere goed’) van een communistische samenleving te verwerkelijken.

Voordat de 2e wereldoorlog was begonnen was er dus al sprake van massavernietiging die tot en met 1938 voornamelijk plaatsvond in het westelijk deel van de Sovjetunie. In 1939 viel Nazi-Duitsland Polen binnen dat tegelijkertijd in het oostelijke deel werd bezet door de Sovjetunie. Aan de zuiveringen door Stalins geheime politie ontkwamen ook de Polen niet (massaslachting onder Poolse officieren in Katyn). Maar toch moesten de verschrikkingen van de massavernietiging nog hun volle omvang krijgen. Het zou niet lang duren totdat operatie Barbarossa van start ging en Hitler’s gedachtegoed in volle omvang tot uiting gebracht kon worden omdat de ‘totale oorlog’ een door hem gewenste jungle-toestand voortbracht. In die toestand van wetteloosheid kon het Arisch ras onder leiding van zijn Führer de pure ‘strijd’ (de ‘Kampf’ uit ‘Mein Kampf’) aangaan met minderwaardige rassen als Slaven en Joden met het doel hen te vernietigen. Hitler beriep zich op dé wetenschap die immers had vastgesteld dat de evolutie een permanente meedogenloze strijd was waarin de sterksten moesten heersen over de zwakken. Het uitschakelen van de zwakken was een selectieprocedure om uiteindelijk in een duizendjarig rijk te belanden waar het Arische volk overwinnaar was door ‘natuurlijke’ selectie. Hitler maakte de sociobiologische interpretatie van Darwin’s theorieën tot politiek en vergreep zich aan het idee dat de natuurlijke orde gezien kon worden als een onophoudelijke strijd. Die natuurlijke orde was volgens Hitler een raciale machtsstrijd zonder enige genade. Rekening houden met de zwakken was een Joods verzinsel om hen macht te geven en het natuurlijk verloop van de rassenstrijd te frustreren.

Het aantal slachtoffers van het Nazi-regime aan het begin van de oorlog bedroeg ca. 10.000 onder Joden en niet-joden. Aan het einde van de oorlog 6,5 jaar later waren er in Midden-Europa 14 miljoen mensen het slachtoffer geworden van Stalin en Hitler. De meesten waren de hongerdood gestorven door Stalin’s landbouwcollectivisatie en door Hitlers uithongering van Russische krijgsgevangenen en belegerde steden. De anderen werden vermoord in de vernietigingskampen of door SS Einsatzgruppen en Oost-Europese milities.

Een van de meest duivelse ingrepen in Oost-Europa was volgens Timothy Snyder het uitschakelen van alle instituties in de landen die na Juli 1941 door de Duitsers werden veroverd. Na de Verlichting was de Burgerij langzamerhand aan de macht gekomen door Staten te ontwikkelen. De Staten beschermden de burgerrechten door middel van instituties die de burgers een juridisch waarborg gaven. De Slavische bevolking werd echter alle rechten ontnomen, door alle staatsfuncties stop te zetten en bestuurlijke instituties te sluiten. Er lag een plan klaar ‘Generalplan Ost’ om het grootste gedeelte van de bevolking te laten verhongeren, te verdrijven of te vermoorden. Het Slavische ras was niet-Arisch en dus een natuurlijke vijand binnen de waandenkbeelden van de door Hitler ontwikkelde ideologie die steunde op het denken van Arthur Gobineau en Houston Stewart Chamberlain. Tijdens het Nazi-bewind was Alfred Rosenberg de Nazi-ideoloog die daarop voortborduurde.

De verschrikkingen van de jongste geschiedenis in Europa zijn van een onbeschrijflijke orde en werken zeker nog door in ons huidige politieke tijdperk. Toen de Oekraïne in conflict kwam met Rusland doordat de Russen de Krim bezetten en via stromannen de Donbass innamen, was daar duidelijk sprake van. De brute machtspolitiek van Vladimir Poetin in de richting van de soevereine staat Oekraïne heeft zijn wortels in de geschiedenis van de Sovjetunie en de omgang van Stalin met dat gebied. De Sovjetrepubliek Oekraïne was onder Stalin gekolonialiseerd en werd als wingewest voor zijn graan gebruikt. De huidige Oekraïense bevolking is maar al te goed op de hoogte van dit verleden. Een van de redenen waarom meer dan 90% van de inwoners van de Sovjet-Oekraïne in 1991 voor onafhankelijkheid stemden. Ze wilden een zelfstandig staat zijn. Helaas heeft de Oekraïne zich niet tot een sterke staat kunnen ontwikkelen. Vanaf het begin hebben oligarchen zich meester gemaakt van de zwakke staatsinstituties. Door het gebrek aan een degelijke machtsstructuur met sterke instituties is de Oekraïne speelbal van het westen en Rusland. Zeker het Rusland van Poetin heeft zijn zinnen gezet op de Oekraïne en probeert het met alle middelen binnen zijn Euraziatische invloedssfeer te brengen. Voor Europa en het westen en de Oekraïners is dat niet te hopen omdat volgens Timothy Snyder in zijn artikel in de New Republic de geschiedenissen van Oekraïne en Europa met elkaar verbonden zijn.

Identiteit, droom of werkelijkheid?

De mens als bijzondere diersoort is het gevolg van een proces dat we in de 19e eeuw hebben leren duiden als de evolutie. In tegenstelling tot zijn ‘collegae’ dieren kent de mens zichzelf als individu binnen de groep van zijn soortgenoten. Dat bewustzijn van zichzelf geeft hem een identiteit. Letterlijk een ‘zelf zijn’. Maar hoe kan het nu dat ik vandaag een en dezelfde ben als een jaar geleden en intussen niet van X1 tot X2 ben geworden, maar onveranderd dezelfde ben gebleven? Alles in mijn omgeving is zo ongeveer veranderd in een jaar tijd en ikzelf ben dat ook, maar toch is mijn identiteit (numeriek) hetzelfde gebleven. Is dat een illusie of is dat daadwerkelijk zo? Sterker nog, zou het een vooroordeel of veronderstelling kunnen zijn dat we ons een onveranderlijke identiteit aanmeten?

Stel dat het zo is. Ik heb een naam gekregen aan het begin van mijn bestaan (Dit zijn de namen…..) die mijn identiteit benoemt. Ik ben Piet genoemd en wordt geroepen en daardoor ingesloten in het bestaan met andere identiteiten, die per definitie van elkaar verschillen. Door wat, wie of hoe wordt zo’n identiteit dan eigenlijk gedragen? Wat is de Piet in mijn Piet-zijn? Telkens als ik wakker word, ken ik mijzelf onmiddellijk, direct en onveranderd als Piet. Traditioneel is deze zetel van de persoonlijke identiteit in de filosofie benoemd als ziel of geest, als aparte substantie (res cogitans) naast het lichaam (res extensa). Het lichaam neemt deel aan mijn identiteit, maar de eigenlijk dragende instantie ervan ervaar ik als bewustzijnstoestand.

Nog steeds is er in de filosofie geen eenduidige verklaring voor het gegeven van de persoonlijke identiteit. Vooral in de analytische filosofie is het een veel besproken heet hangijzer. Filosofen als Daniel Dennett hebben er hun hele oeuvre aan gewijd. De laatste tijd, veelal ingegeven door wetenschappelijk onderzoek naar de werking van de hersenen, staat het thema weer nadrukkelijk op de agenda. De zetel van onze identiteit is intussen wel verplaatst van de ziel of de geest naar ons brein en onze wil. Je kunt geen artikel of boek openslaan dat zich bezighoudt met hersenfuncties of er wordt wel ergens in beweerd dat onze persoonlijke identiteit ons brein is (‘Wij zijn ons brein’). Ook als we onze identiteit wat breder trekken en onze zelfbepaling tot onderdeel maken van onze identiteit, vangen we bot bij de wetenschappers die de vrije wil hebben afgeschaft. De ‘vrije’ wil is volgens hen een functie van de hersenen of het centrale zenuwstelsel die ons handelen bepaalt. De neuronen hebben al gevuurd en de synaptische verbindingen zijn al gelegd voordat wij ons bewust zijn van ons handelen. Het autonoom zenuwstelsel lijkt zo uitgebreid tot en met ons bewustzijn dat ‘ingevuld’ wordt door de werking van onze hersenen. Identiteit is hiermee verschraald tot een bewustzijnstoestand die veel weg heeft van een illusie of een droom.

Ons denken over onze identiteit loopt al helemaal spaak als we het hebben over zoiets als een hoofdtransplantatie. (zie post BNI) Er zijn artsen die denken dat het technisch over enkele jaren mogelijk is om het hoofd van een donor te verbinden met een ander ‘lichaam’. (Het probleem hoe je aan een ‘levend’ hoofd komt voor bijvoorbeeld een hersendood lichaam, laten we even buiten beschouwing.) Welke identiteit ontstaat er dan? Een nieuwe? De identiteit van het hoofd of die van het lichaam? Volgens mij kunnen we ons helemaal geen voorstelling maken van wat dit soort technologische hoogstandjes teweeg zullen brengen. Bij transplantatie van handen ervaart de ontvanger de nieuwe hand als een niet-eigen lichaamsdeel en duurt het soms jaren voordat hij het als iets van zichzelf ervaart. Laat staan een hoofd.

Lichaam en lijf zijn twee begrippen die weliswaar naar hetzelfde verwijzen maar toch op een andere manier tot onze subjectiviteit behoren. Ons lichaam kunnen we objectief waarnemen direct of indirect via onze zintuigen. Ons lijf voelen we als we verdriet hebben, gelukkig, depressief, ongeduldig, gestressed zijn of bij andere emoties. De lijflijke beleving en de betekenis die we eraan geven, ligt dichter bij onze identiteitservaring dan onze puur lichamelijke waarneming. Een rondje hardlopen incorporeert zich niet als lijfelijk, maar een overlijden in mijn naaste omgeving ervaar ik aan den lijve. Het raakt mijn identiteit. Bij sommige emotionele ervaringen kunnen we ons zelfs afvragen of ze onze identiteit niet aantasten of zodanige verschuivingen teweegbrengen dat er sprake is van persoonlijkheidsveranderingen. Denk bijvoorbeeld aan post-traumatisch-stress-syndroom, kampsyndroom en psychotische ziektes die de psychologische continuïteit zwaar verstoren. Je verliest de voeling met een zelf. Maar ook fysiologische aftakeling zoals de ziekte van Alzheimer en dementie verstoort de psychologische continuïteit fundamenteel, zo sterk zelfs dat het de vraag is of er nog wel een persoonlijke identiteit over is. In de discussie over wilsbeschikkingen en euthanasie is dat een probleem omdat het daarbij inderdaad de vraag is of de legitimiteit van wat ik heb vastgelegd toen ik wilsbekwaam was, nog overeind blijft als ik psychisch totaal ontmanteld ben. Maar dat zou ook gelden als ik hersendood ben of in een onomkeerbaar diepe coma raak. Zover ik weet speelt de discussie daar niet. (zie post BNI)

Onderzoek naar dat wat als persoonlijke identiteit wordt ervaren laat zien dat er een aspect is aan identiteit, dat bij John Locke (1632-1704) niet in zijn beschrijving van persoonlijke identiteit is opgenomen. Die beschrijving luidt in mijn vertaling:

Ik denk dat een persoon een denkend intelligent wezen is, dat rede en reflectie heeft en zichzelf als zichzelf kan beschouwen, als hetzelfde denkend iets, op verschillende momenten en plaatsen. Wat hem in staat stelt om zichzelf te denken is zijn bewustzijn, dat onlosmakelijk is van denken en essentieel ervoor.

Het onderzoek laat zien (zie essay AEON) dat ons bewustzijn weliswaar voorziet in een sterke persoonlijke identiteit detector die in bijna alle omstandigheden overeind blijft. Maar wat er precies overeind blijft is niet duidelijk. Het is in ieder geval niet alléén je zelfbeeld dat gebaseerd is op de continuïteit van je herinneringen. Laten we wat overeind blijft even je ziel noemen als een soort plaatsbekleder van het zelf. De ziel is in de ideeëngeschiedenis ook vaak aangeduid als de zetel van onze morele identiteit. Zonder ziel zou ons handelen immoreel zijn. Zowel het goede handelen als het kwade. Volgens Nina Strohminger is het nu precies het morele karakter van onze ziel dat ons persoonlijke identiteit verleent. Ons morele gedrag verbindt ons met anderen. Het herinneren speelt daarin een rol omdat het ons toont als morele continuïteit. Wat ons authentiek maakt en ons morele identiteit geeft is onze morele betrouwbaarheid door de tijd. Dat bepaalt ook juist datgene op basis waarvan we sociale relaties aangaan. We zoeken op de eerste plaats een partner uit die vriendelijk is, omdat het identiteitsconcept een morele status veronderstelt en niet andersom. De morele status is niet het gevolg van een identiteit. Het is de bestaansvoorwaarde ervan.

De vraag of onze identiteit en ons zelfbegrip kan bestaan los van een morele en sociale context is filosofie technisch misschien wel interessant (post Jongepier) maar lost het probleem door wat, wie of hoe zo’n identiteit dan eigenlijk wordt gedragen, niet op. Daarnaast blijken onze hersenen zo plastisch dat ze bijna iedere identiteit kunnen aannemen. Zelfs de identiteit van een kip zoals blijkt uit het wetenschappelijk gedocumenteerde verhaal van een opa die zijn kleinzoon vanaf zijn vroegste jeugd opsloot in een kippenhok.