Identiteit, vrije wil en bewustzijn

door Denkerij®

Er is de laatste jaren naar aanleiding van de resultaten van veel wetenschappelijk hersenonderzoek een discussie ontstaan over wie, wat of hoe wij zijn. De mens wordt van oudsher gezien als een op zichzelf bestaand wezen dat zich bewust is van zijn zelf-zijn en in staat om dat zelf-zijn te bepalen. De discussie nu trekt sterk in twijfel of wij ons kunnen beroepen op een identiteit die mede door ons eigen handelen tot stand wordt gebracht. Doordat we ons bewust zijn van onszelf zouden we ook in staat zijn om richting te geven aan ons handelen. We kunnen kiezen hoe en wat we willen en hebben daarom een wil die vrij is.

Nee, zeggen de meeste hersenonderzoekers zoals Dick Swaab, Victor Lamme, Sam Harris en vele anderen; de vrije wil is een illusie. Mensen zijn net als alle andere wezens en niet-wezens in de natuur of de werkelijkheid, atomaire, fysische samenstellingen, waarin processen verlopen die onderhevig zijn aan natuurwetten. Die processen verlopen via het causaliteitsprincipe waarbij ieder effect noodzakelijk het resultaat is van een voorafgaande oorzaak. Het proces is deterministisch bepaald en elk volgend stadium kan gereduceerd worden tot een voorafgaande fase. Dit is ook zichtbaar als we onze hersens bekijken via een MRI-scanner. Daarin wordt aangetoond dat neuronen al vuren en synaptische verbindingen leggen vóórdat we overgaan tot handelingen en vóórdat we ons bewustzijn van wat we doen en hoe we het doen. Dit causaal determinisme is het overheersend paradigma in de behaviouristische cognitiewetenschappen.

Filosofen als Daniel Dennett zijn het niet eens met dit paradigma. Dennett verzet zich met volgens mij sterke argumenten tegen het idee dat wij als zelfbewuste wezens niet zouden beschikken over een vrije wil. In een lezing en discussie die hij onlangs hield in Amsterdam en Nijmegen, over de ideeën van de eerdergenoemde hersenonderzoekers, komt hij tot de conclusie dat een vrije wil wel degelijk tot de uitrusting van de zelfbewuste mens behoort. Hij ontkent daarbij niet wat het hersenonderzoek tot nu toe aan resultaten heeft opgeleverd, maar hij vindt de filosofische interpretatie van de resultaten (Wij zijn ons brein, Vrije wil bestaat niet) niet houdbaar.

Stel zegt Dennett, dat we geen vrije wil hebben, dan kunnen we ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor onze daden en bestaat er zelfs geen moraal. Als echter redelijke overwegingen ons handelen determineren waardoor wij ons leven betekenis geven doordat we kiezen voor dit en niet voor dat, dan is er – tenminste in praktisch opzicht – sprake van een vrije wil. Bovendien hebben we dan ook een morele verantwoordelijkheid of morele competentie, die een noodzakelijke voorwaarde is voor een vrije wil. Of nog een ander argument. Als ik kan voorkomen dat iets gebeurt dat onontkoombaar(unavoidable) of onvermijdelijk (inevitable) lijkt, dan beschik ik over een capaciteit (wilsvermogen) dat naar de toekomst een gedetermineerde causale keten kan doorbreken. Een simpel voorbeeld; ik buk voor een steen die in mijn richting wordt gegooid. In praktische zin is vrije wil vergelijkbaar met kleuren, beloftes en euro’s die ook allemaal niet het resultaat zijn van natuurwetten of aan de bomen groeien. Het zijn de creatieve resultaten van een praktische vrije wil.

Je zou zeggen; geen wonder dat dit debat nu wordt gevoerd! De empirische data die het resultaat zijn van de metingen van de neurowetenschap leiden nu pas tot inzichten die oude filosofische ideeën kunnen corrigeren. Integendeel! Identiteit, vrije wil en bewustzijn stonden sinds de jaren 70 van de 19e eeuw in het centrum van het toenmalige wetenschappelijke debat. Het was ook de tijd van de evolutietheorie. Een van de filosofen die zich daar mee bezighield, was Friederich Nietzsche (1844-1900). In de ‘Fröhliche Wissenschaft’ (paragraaf 354) een van zijn latere werken (1882) bespreekt hij het bewustzijn. Hij zegt daarin dat we kunnen denken, voelen, herinneren en handelen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Ons bewustzijn is slechts een spiegel die we niet nodig hebben opdat ons leven zich voltrekt.

Maar waarom heeft het bewustzijn zich dan toch ontwikkeld? Daarvoor waren min of meer praktische redenen. In de evolutie ontwikkelde de taal zich als communicatiemiddel; door Nietzsche het vermogen om mede te delen genoemd (Mitteilungsfähigkeit) op basis van de behoefte aan communicatie (Mitteilungs-Bedürftigkeit). Nietzsche zegt dat: „das Bewußtsein überhaupt sich unter dem Drucke des Mitteilungs-Bedürfnisses entwickelt hat“. Het was dus nuttig en praktisch voor de mens, dat het bewustzijn zich ontwikkelde om van mens tot mens te kunnen communiceren. Die communicatie in taal en gebaren was nodig omdat de mens een bedreigd dier was dat het nodig had om de hulp en bescherming van zijn soortgenoten in te roepen.

Vanuit het bewustzijn ontwikkelt zich allengs ook het zelfbewustzijn. Als sociaal dier wordt de individuele mens door de woorden en tekens van de communicatie zich steeds meer van zichzelf bewust. Dat is volgens Nietzsche geen zegen, omdat het bewustzijn eigenlijk alleen nuttig en nodig is, om te voldoen aan de behoefte van de mens als gemeenschapswezen en als kuddedier. Daarin ligt ook het grote conflict en de vervreemding omdat wij ons als individu en als zelfbewust ervaren. In die ervaring manifesteert zich echter juist het niet-individuele van het bewustzijn. (het dividuum, het gedeelde, het algemene) Onze handelingen zijn zonder meer persoonlijk en individueel maar als wij ze ons bewust zijn, zegt Nietzsche, verliezen we die persoonlijke en individuele identificering weer. Dan overheerst ons dierlijke bewustzijn weer. Bewust worden en bewustzijn is afkomstig uit de algemene wereld van ons kuddedier-zijn en daardoor vlak, dun en relatief dom. Het bewuste denken is het kleinste deel van ons denken dat in hoofdzaak onbewust is. Het bewustzijn behoort eigenlijk niet tot de mens als individu. Het is het residu van zijn kuddenatuur. Als we dan vervolgens ons individueel bewustzijn zien als onze bron van kennis dan moeten we ons sterk afvragen of dit bewustzijn wel het orgaan voor het kennen of de waarheid is. Het is in ieder geval niet de plaats waar ‘ding an sich’ en ‘Erscheinung’ aan elkaar worden gesmeed.We kennen waarschijnlijk alleen precies datgene wat nuttig is voor de soort. Wat als nuttig in ons individueel bewustzijn verschijnt en overblijft, beweert Nietzsche, is slechts dat wat we geloven, een illusie, een noodlottige domheid, waaraan we eens te gronde zullen gaan.

Deze messcherpe analyse van het bewustzijn van Friederich Nietzsche benadert de bevindingen van het moderne hersenonderzoek. Daarin wordt steeds meer duidelijk dat onze hersenen uitermate plastisch zijn waardoor onze zelfbewuste identiteit in klinisch opzicht inderdaad bijzonder ijl is. Deze ijlheid van wat wij voor onze unieke persoonlijke identiteit houden, kan verpulveren onder de externe druk van de omstandigheden en de druk van de wil tot macht en de overlevingsstrategieën van onze soort. In het verlengde van de analyse van het bewustzijn heeft ook de vrije wil weinig bestaansrecht volgens Nietzsche omdat binnen het grote geheel van ‘de mens’ er vermogens en krachten zijn die de zelfbepaling tenietdoen.

Misschien maakt Nietzsche het allemaal te groot en te heroïsch vooruitlopend op zijn leer van de ascese, de Herrenmoral en de übermensch. Ik hou het voorlopig maar op de praktische vrije wil als morele competentie van Daniel Dennett maar zal me ook blijven laten uitdagen door de literatuur van Nietzsche.