Het fiasco voor de menselijke moraal.

In veel van zijn laatste geschriften is Friederich Wilhelm Nietzsche (1844-1900) buitengewoon fel in zijn uitspraken, beschrijvingen en analyses. Zijn zoektocht naar de ware grond van alle moraal zowel in ‘Jenseits von Gut und Böse’ als in ‘Genealogie der Moral’ leidt tot allerlei bevindingen maar niet tot de vondst van een moreel beginsel. Integendeel, alle gangbare moraal blijkt, zegt hij, gebaseerd op een grote valsmunterij. Wat er in de geschiedenis aan morele waarden is vastgelegd, is in strijd met hét principe dat de werkelijkheid totaal doordrenkt; de wil. Tot en met de mens toont de natuur zich als een wordingsdrift zonder vooropgezet plan. Deze alles overrompelende macht geeft zichzelf gestalte vanuit een amorele passie tot worden. Haar heftigheid is een nietsontziende kracht die als een tsunami de werkelijkheid overspoelt als een puur willen om het willen. Ze komt nergens vandaan en gaat nergens naar toe. Ze heeft geen oorsprong en geen doel. Ze is zuiver principe en oorzaak van zichzelf, niet vatbaar voor enige tegenmacht en zeker niet vatbaar voor de apollinische verstandsmoraal van de mens.

 

Uit de pre-socratische Griekse teksten die Nietzsche als filoloog als geen ander kent, ontleent hij zijn beeld van een Griekse wereld die in essentie Dionysisch was. Wat hij aantreft in de teksten is een chaotisch wereldbeeld met een kakafonie aan goden die verwikkeld zijn in allerlei tragedies. Vanuit die mythes van de godenwereld schrijven de tragediedichters hun schouwspelen waarin weinig deugdzaamheid voorkomt. Wat er maar mis kan gaan in de relaties tussen de goden onderling en tussen de mensen en de goden, gaat ook mis. Het lijden aan de werkelijkheid wordt hooguit gecompenseerd door feesten en bacchanalen die ter ere van de God Dionysus worden gehouden. Er is geen moraal waarnaar geleefd wordt. Het leven voltrekt zich. Begrippen als ‘goed en kwaad’ of ‘goed en slecht’ zijn nog gekoppeld aan nuttigheidsopvattingen. Levert mijn handelen iets op dan is het doelmatig en dus goed.

 

Als dit nuttigheidsprincipe een genealogisch verantwoorde weergave van het ontstaan van de begrippen ‘goed en slecht’ zou zijn dan stroken ze toch niet met wat Nietzsche als herkomst van de moraal ziet. De morele waarden die hij voorstaat vinden hun oorsprong in wat hij de ‘Herrenmoral’ noemt. De voorname, ascetische ‘Herr’ heerst over zijn handelen en conformeert zich aan wat hij als zijn onmiddellijke wil ervaart. Hij veronderstelt geen door de rede bemiddeld moreel richtsnoer waardoor hij zijn handelen laat bepalen. Wat ‘goed’ is, is wat hij doet en daarom ook waar. Deze mens is van een hogere orde, die zich niet laat inperken door de morele doelstellingen van een moraal die is opgetekend om de niet-machtige, de niet-vrije, de zwakke te beschermen. De mens moet zich verheffen tot de status van edele. Hij maakt gebruik van de krachten van zijn ‘thumos’, trots, woede, strijdbare drift. Een daar aan voorafgaande grond heeft hij niet nodig. Hij staat als ascetische krijger in het leven en handelt naar zijn instinct.

 

Deze morele edele heeft een oorspronkelijke noblesse. Hij handelt niet vanuit medelijden, maar doordat hij handelt vanuit edele en nobele instincten zijn de gevolgen van zijn handelen noodzakelijk ook goed. “Alles Gute ist Instinkt und folglich, leicht, notwendig frei” (Götzendämmerung). Deze mens van de toekomst die Nietzsche uit de genealogie van de moraal vrijmaakt, overtreft de mens die door het ideaal van de ‘Sklavenmoral’ verworden is tot een mens die niet vanuit kracht leeft, maar is aangewezen op medelijden. Alle morele waarden zullen daarvoor moeten worden doordacht, opnieuw gewaardeerd door een ‘Umwertung aller Werten’. De strijd die daarvoor nodig is, is geen strijd om te onderwerpen maar in alle opzichten een strijd om te bevrijden en een ware autonomie tot ‘Übermensch’ te bewerkstelligen. Als deze mens symmetrisch acteert vanuit de van nature gegeven levenswil die hij geïncorporeerd heeft, (vereinleiben) en waardoor hij dus als bevrijd leeft, leeft hij weer ‘onmiddellijk’ volgens zijn hernieuwd instinct dat goed, noodzakelijk en dus vrij is. In dat proces ontdoen we ons van onze slavenmoraal en is onze deugdzaamheid tot onze tweede natuur geworden.

 

Het denken van Nietzsche is denken over de moraal in een langlopend project – volgens mij op een evolutionaire tijdsschaal – dat bevrijding en autonomie van de mens, dus ieder mens veronderstelt en hem zijn wil tot kennis, waarheid en macht teruggeeft, zodat hij niet meer onderworpen is aan de rationalisaties van het verstand.

 

Toch is het de vraag of je Nietzsche utopisch kunt interpreteren? Is er redding voor de mens als ‘der letzte Mensch’ (voorwoord Zarathustra) of ‘der tolle Mensch’ (Fröhliche Wissenschaft, 125) is genezen en hersteld is als ‘Übermensch’? Is de diagnose die Nietzsche als arts van de mens stelt en die hij als filosoof met de hamer – het diagnostisch hulpmiddel van de arts – de mens bekloppend, een diagnose die hoop op genezing biedt? Op deze vragen is geen eenduidig antwoord te geven. Ook Nietzsche schildert als alle diepgravende filosofen in grijs op grijs. Zijn diagnoses bieden weinig hoop. De mens heeft geen grond in zichzelf, geen houvast, geen waarborg zoals een dier in zijn feilloos instinct vindt. Alle grond is ‘fantasma’ van het ‘menselijk al te menselijk’ bewustzijn. In zijn antropocentrische hoogmoed heeft hij een God verzonnen en hem ook – bij herhaling – weer vermoord. Wat is er dan nog over voor de mens om zich geborgen te weten als hij de laatste vraag stelt – waartoe ben ik op aarde? – en geen antwoord krijgt. Het nihilisme waar Nietzsche op uitkomt is niets ontziend en laat weinig of geen zekerheid over. Alleen de buitengewone moed die hij toerekent aan de volgende mens die met open vizier het monster (Ungeheuer) van het nihilisme, van het niets, van de peilloze afgrond, recht in zijn bek kijkt, kan die mens overeind houden tegen het kosmisch geweld van wat later het ‘Sein zum Tode’ is genoemd.

 

Wat blijft dan over? Voor mij is Nietzsche geen filosoof van het niets en de duisternis. Integendeel; hij is een filosoof van het licht. Zijn uitermate scherp geestesoog laat licht schijnen op de onvolkomenheden van het menselijk bestaan, dat slechts het product is van wat er al is. De menselijke hubris of hoogmoed is niet opgewassen tegen wat er al vóór hem was. De arrogante apollinische rede heerst in de menselijke kudde. Zij is het die ons vervreemdt van de pure wil tot kennis, waarheid en macht. Morele voortreffelijkheid is het aangaan van een coöperatie met de gegeven wil. Of de mens dat voor elkaar krijgt blijft zeer de vraag. In een discussie met Arnon Grünberg op twitter, kwamen we daar niet uit; het bereiken van een stadium van zuivere morele voortreffelijkheid is voor de mens te ver weg. Tot nu toe heeft hij zich overladen met schuld die hij per definitie pas in de toekomst kan aflossen of aanzuiveren. De kans is groot dat ook ‘de mens na deze mens’ (Übermensch) zich schuldig blijft maken en dat we het met die weinig rooskleurige utopie moeten doen.

Advertenties