De evolutietheorie als gevaarlijke idee

De 19e eeuw is de bakermat van onze hedendaagse samenleving. Misschien nog meer dan het huidige tijdperk is deze eeuw doordrenkt van oorspronkelijke denkbeelden en technische innovaties, maar ook van grote wetenschappelijke vernieuwingen. De wetenschappelijke basis innovaties van de 20e eeuw zijn terug te voeren op de theorieën van Albert Einstein (1879-1955) en Niels Bohr (1885-1962), die de fysica fundamenteel hebben ontsloten. Toch kun je van hun theorieën zeggen dat ze volledig gebaseerd zijn op wat hun voorgangers al beschreven hebben. De revoluties van Einstein en Bohr zijn gigantisch omdat zij ongekende paradigma verschuivingen teweeg hebben gebracht. Fundamentele concepten van de fysica zoals de speciale en algemene relativiteitstheorie en het deeltjeskarakter van alle materie in de kwantummechanica, hebben toen het licht gezien.

Vergelijkingen om aan te geven, wie in wetenschappelijk of filosofisch opzicht de grootste of de meest beduidende vernieuwing van het denken over onze werkelijkheid heeft ontwikkeld, zijn meestal niet op hun plaats. Maar als we er toch op deze manier naar kijken, is de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882) waarschijnlijk dé uitgesproken kandidaat om het predicaat te ontvangen van de meest oorspronkelijke wetenschappelijke theorie. Er is vóór hem niemand geweest, die de ontwikkeling van het leven verklaart vanuit een mechanisme, dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van alle soorten. Dit mechanisme van natuurlijke selectie verklaart het ontstaan van de soorten uit een gemeenschappelijke oervorm. In een enorm tijdsbestek evolueren chemische verbindingen in een oersoep naar levende materie in de vorm van cellen. Doordat die cellen zichzelf kopiëren en tijdens dat kopieerproces mutaties ondergaan, ontstaat er biologische diversiteit. Het proces resulteert in biologische soorten van de meest eenvoudige eencellige bacteriën tot zeer complexe conglomeraties van honderden miljarden cellen. Dit evolutieproces voltrekt zich, omdat organismen zich aanpassen aan hun omgeving, zodat ze kunnen overleven.

De natuurlijke selectie is dus een proces van overleven van het organisme door zich aan te passen: een ‘struggle for life’ en een ‘survival of the fittest’. Dit vrij simpele model waarmee het ontstaan van de soorten kan worden verklaard, houdt tot op de dag van vandaag grote denkers bezig. De empirische bewijzen voor de juistheid van de evolutietheorie zijn bijna waterdicht. Er zijn geen falsificerende argumenten gevonden die de theorie tegenspreken. Tegenstanders van de theorie beroepen zich op argumenten die logische onvolledigheid veronderstellen (er is geen verklaring voor de overgang van niet-leven/leven) of op een incomplete empirische afleiding; hoe kan ik het bestaan van een horloge induceren als ik geen horlogemaker veronderstel? Daniel Dennett geeft in zijn boek ‘Darwins Dangerous Idea. Evolution and the meanings of Life’ (1995) niet alleen een overzicht van alle weerstand die de evolutietheorie heeft opgeroepen en nog steeds oproept, maar ook een verdiepende filosofische interpretatie van het enorme belang van Darwins theorie. Dat hij het inzicht van Darwin een gevaarlijk idee noemt, komt omdat het idee van natuurlijke selectie zo is ontvangen. Natuurlijke selectie is immers een geestloze, mechanische en algoritmische procedure, die geen ruimte laat voor een ontwerp en een ontwerper. Er ontstaat zo een werkelijkheid door toeval die geen doel en bedoeling heeft, dus ook geen oriëntatie biedt en daardoor als gevaarlijk wordt ervaren.

De evolutietheorie heeft dezelfde impact als aforisme 125 van Nietzsches ‘Fröhliche Wissenschaft’. Daarin verklaart ‘Der tolle Mensch’ God dood en beschrijft dat als het meest verschrikkelijke (de moord aller moorden) wat de mens kan overkomen. Zonder God is de mens overgeleverd aan het nihilisme en ervaart hij zijn bestaan als zinloos. Voor de evolutie is geen God nodig. Het proces van natuurlijke selectie voltrekt zich en brengt voort wat het heeft voortgebracht. Dit geeft een deprimerend beeld voor de mens en zijn positie in het ontstaan van de soorten.

De sociaal darwinistische misvatting van met name de ‘struggle for life’ wordt in de 19e eeuw en doorlopend in de 20e eeuw gezien als een wetmatigheid, die ook sociologisch van betekenis is. De mens wil de natuurlijke selectie onnatuurlijk te hulp schieten door een eugenetische bevolkingspolitiek te propageren die zwakke elementen zuivert, zodat het ras zo krachtig en sterk mogelijk wordt. De misvatting of dit vooroordeel kenmerkt zich vooral door een gebrekkig begrip van de werking van het proces van natuurlijke selectie. Met name het door Herbert Spencer (1820-1903) geïntroduceerde begrip van ‘survival of the fittest’ kan niet opgevat worden als een overlevingsstrategie van de sterksten waardoor de zwaksten het onderspit delven en de soort behouden blijft. De natuur is geen ruimte waarin de sterksten overleven omdat ze de zwakken overheersen. De natuur is de biotoop waarin een organisme de beste overlevingskansen heeft, als het zich aanpast aan de omgeving. Bij de mens kan dat in dubbel opzicht. Op de eerste plaats doordat er genetische aanpassingen bij hem plaatshebben. Op de tweede plaats omdat hij kan ingrijpen in zijn omgeving en dus met technisch/culturele middelen zijn omgeving aanpast om zijn overleving veilig te stellen.

Ook Nietzsches latere werk ademt een sociaal darwinistische sfeer uit. Zijn hele denkbeeld van de ‘Sklavenmoral/Herrenmoral’ is gebaseerd op de aanname dat het overheersen van een aristocratische elite het beste is voor de mensheid. Het zwakke mag niet beschermd worden door een moraal die priesters hebben ontwikkeld, om hun eigen privileges veilig te stellen. De werkelijkheid is een ‘Ungeheur’ dat we recht in de bek moeten kijken.

Charles Darwin heeft een groots idee ontwikkeld uit zijn empirisch onderzoek. Als bioloog draagt hij de moderne biologie met al zijn vertakkingen naar moleculaire biologie, genetica, biochemie, neurobiologie, microbiologie, ethologie, enzovoort. Het algoritmisch mechanisme van de natuurlijke selectie begrijpen we nog maar zeer ten dele. Wij zien alleen het eindresultaat van de evolutie en kunnen ons nauwelijks voorstellen, dat wat we zien zich zonder ‘Intelligentie’ heeft gevormd. Maar door de tijd waarbinnen en door het tempo waarin in onmetelijk veel kleine stapjes de soorten zich hebben gevormd, kunnen we ons daar ook geen voorstelling van maken. Ons voorstellingsvermogen is niet in staat processen te begrijpen – anders dan in een verdichte vorm – die zich in een bijna onmetelijke tijdsspanne afwikkelen. Ons blijft alleen over om wetenschappelijke feiten te verzamelen en zodoende een theoretisch matrix te ontwikkelen, die deze feiten voldoende verklaart. Al kost dat ons een God.

Advertenties