Zijn wij ons brein?

Persoonlijker is: ‘ben ik mijn brein?’ Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord, dan is ook mijn teennagel brein, mijn slokdarm brein, mijn oog brein enzovoort. Alle delen van het geheel ‘ik’ zijn brein. Ik ben mijn brein. Maar als mijn brein een deel is van het geheel, wat is dan het geheel? En als mijn brein het geheel is; ‘ik’, wat zijn dan mijn delen? Of stel dat er een ‘ik’ is; een persoon, in hoeverre ben ik dan als persoon bepaald door mijn brein, dat een deel is van mijn lichaam als geheel?

De bioloog Stuart Kauffman (1939) geeft in zijn werk een nieuwe visie op de evolutietheorie. Zijn wetenschapsfilosofische benadering van die theorie sluit iedere reductionistische of deterministische interpretatie van de biologie en daarmee van de evolutietheorie uit. De moleculaire processen in levende cellen bijvoorbeeld kunnen niet begrepen worden zonder dat het geheel van de cel en tenslotte het geheel van het organisme betrokken wordt in de wetenschappelijke verklaring van het biologische fenomeen. Het belang van het geheel (das Ganze) ontleedt Kauffman aan de verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) Hij poneert de stelling dat in een ‘samengesteld zijnde’ de delen bestaan voor en door het geheel en het geheel bestaat voor en door de delen.

Kauffman geeft het volgende voorbeeld.[1] In een eenvoudige organische omgeving waarin een set van 9 peptiden (kleine proteïnen) verbindingen aangaan, vormen de peptiden een collectieve autokatalitische set. Elk van de peptiden katalyseert of versnelt de reactie, waardoor fragmenten van sommige andere peptiden zich verbinden in een andere kopie van die andere peptide. Geen enkele peptide katalyseert zijn eigen formatie. De set als geheel heeft de eigenschap dat iedere reactie die een katalyse nodig heeft, wordt gekatalyseerd door een ander onderdeel van de set. De delen vormen de collectieve autokatalytische set en bestaan in het universum door en voor het geheel, dat hun katalytisch gedrag organiseert, terwijl het geheel bestaat in het universum voor en door de delen. Alleen op deze manier kan de functie van een peptide worden gedefinieerd in zijn rol als drager van het geheel.

Dit voorbeeld gebruikt Kauffman om te laten zien dat ook al is iedere molecule van een cel bekend, er nog steeds niets is dat het geheel representeert. In de klassieke mechanica werd verondersteld op basis van de bewegingswetten, initiële condities en randvoorwaarden dat wanneer positie en snelheid van een object bekend zijn, de baan van het object exact kan worden berekend in de tijd rekening houdend met de zwaartekracht. Deze natuurwetten zijn niet toepasbaar wanneer het biologische processen betreft. Er zijn geen natuurwetten die de evolutie van de biosfeer kunnen beschrijven of berekenen. Als cellen tegelijk evolueren kunnen we niet berekenen tot wat dit leidt in het evolutieproces op basis van zogenaamde ‘bewegingswetten’ omdat we geen inzicht hebben in de randvoorwaarden. Zouden we dat wel kunnen dan ontbreekt het ons vervolgens aan kennis over de selectievoorwaarden die de randvoorwaarden vormen. We zitten dan met een probleem vergelijkbaar met het berekenen van de beweging van biljartballen op een biljarttafel waarvan we de grenzen niet kennen omdat ze onophoudelijk veranderen.

Er zijn dus geen natuurwetten die inherent zijn aan het evolutionair proces (“there are no laws that entail the becoming of the biosphere”) en dus zijn ze er ook niet binnen de economie, de cultuur of de geschiedenis of het leven in het algemeen. Het reductionisme en het determinisme dat er van uitgaat dat het hele universum berust op onderliggende natuurwetten is daarmee exit voor de biosfeer.

Stuart Kauffman is als theoretisch bioloog een niet gemakkelijk toegankelijk denker omdat zijn begrippen verdichtingen zijn van kennis van alle biologische disciplines en hoog abstracte complexe systeem analyse. Maar eenmaal bezig met zijn werk is het snel genoeg duidelijk dat hij de evolutie van het leven vrijhoudt van wetmatige beperkingen. Daarmee wordt ook het menselijke leven en de menselijke cultuur gevrijwaard van de ‘domme’ mechanica van natuurwetmatigheden en mathematica. De mens is een keuzewezen en precies daarin fundamenteel vrij. Sterker nog de evolutionaire processen zijn vrij omdat er ‘nieuwe’ soorten kunnen ontstaan zelfs aan de mens voorbij.

Als Dick Swaab in een interview stelt: ‘Als persoon ben je, je brein’ ondergraaft hij de mens als vrijheid. Een mens heeft geen vrije wil en kan niet anders handelen dan door zijn brein bepaald. Het leven voltrekt zich als een evolutieproces. Dit neurodeterminisme is goed verdedigbaar als je door de bril van een neurobioloog kijkt naar het functioneren van een brein. Alle lichamelijke functies zijn te determineren door corresponderende hersenfuncties, hormonaal of neurologisch. Er is los van dit functioneren geen persoon die sturing geeft aan het breinproces en dit breinproces zou kunnen bepalen. Als ‘ik’ iets wil, wil ik dat omdat biochemische processen onder invloed van omgevingsfactoren dat zo hebben ingericht. Er schijnt volgens Swaab geen licht tussen brein en persoon. Een licht dat we al meer dan 2500 jaar als onze geest beschouwen. De vrije wil en onze geest zijn illusies. Maar waarvan zijn het dan illusies? Hoe kan dat onvrije volledig gedetermineerde brein een illusie van vrijheid produceren? Als we geen geest hebben omdat het een illusie is vanwaar dan dit volstrekt inefficiënte product van dat brein?

Wat anders is, of we lichaam en geest dualistisch moeten opvatten. Zijn het substanties die niet tot elkaar herleid kunnen worden of moeten we uitgaan van een allesomvattende materiële werkelijkheid? Zelfs als ons verklaringsmodel van de werkelijkheid uitgaat van de premisse dat alles bestaat uit stoffelijke deeltjes zijn er toch eigenschappen die niet reductionistisch herleidbaar zijn. Deze emergente eigenschappen van een organisme kunnen niet verklaard worden uit de delen die het organisme samenstellen. Wat wij geest noemen kan zo de emergente eigenschap zijn van de 100 miljard neuronen en een veelvoud aan synaptische verbindingen in ons brein. Een eigenschap die niet herleidbaar is tot de delen maar wel evident aanwezig is in het geheel en als persoon of identiteit aangeduid zou kunnen worden.

Swaab ziet zelf ook wel dat dit een probleem is voor het neurodeterministisch model dat hij hanteert in zijn boeken over het brein. In zijn laatste boek komt hij daar dan ook op terug en zegt hij bijna onverholen dat de titel een marketingtruc is. Hij geeft de filosofen gelijk die hem er op hebben gewezen dat ‘Wij zijn ons brein’ een mereologische drogreden is omdat het deel wordt verward met het geheel. Dit is een logische fout.[2] Verderop in het boek zegt hij eigenlijk ook nog eens dat het reductionisme wetenschappelijk geen stand kan houden: “Je kun uit één cel de functie van het brein niet voorspellen, en uit één brein niet het functioneren van onze maatschappij. …..Dit is een beperking van reductionisme.”[3] De filosofisch denkinspanning van Swaab is erg ijl. Hij poneert min of meer dat de selecties van ons brein als organisme natuurlijk zijn en dat er op dit evolutionair proces geen invloed kan worden uitgeoefend. Het proces is blind en dom en uiteindelijk alleen gericht op overleving en voortplanting. Toch zijn de neurobiologische wetenschappelijke feiten die hij ten tonele voert over werking en betekenis van het brein, zeer divers en erg interessant.

Wetenschappers al Daniel Dennett en Stuart Kauffman hebben de evolutietheorie in al zijn aspecten wel diepgaand doordacht en haar begrepen als een wetenschappelijke methode die ruimte biedt aan volstrekt nieuwe wendingen en in principe niet gebaseerd is op allesomvattende wetmatigheden: “No law entails the evolution of the biosphere”

 

[1] Stuart Kauffman and Guiseppe Longo ‘No Law Entails The Evolution Of The Biosphere’ July 7, 2011

[2] Dick Swaab, ‘Ons creatieve brein’ 2016 pag. 16

[3] Dick Swaab, ‘Ons creatieve brein’ 2016 pag. 387

Advertenties