Zijn wij ons bewustzijn?

Het blijft een niet aflatende discussie hoe het nu zit met de hersenwetenschap en de filosofische interpretatie van de mens als iets anders dan: zijn brein, gebrek aan vrije wil en persoonlijke identiteit. Zoals al eerder gezegd moet je de vraag of wij ons bewustzijn zijn, eigenlijk persoonlijker maken: ‘ben ik mijn bewustzijn?’ Stel dat er een ‘ik’ is; een persoon, in hoeverre ben ik dan als persoon bepaald door mijn (zelf)bewustzijn? Wat is daarin dat ik? Wat is daarin bewustzijn?

Een onderverdeling die in de 20-tiger jaren van de vorige eeuw gangbaar was, is het psychologisch onderscheid tussen ‘Es, Ich, Über-ich’. Het ‘Es’ vertegenwoordigt het onderbewustzijn of het onbewuste, het ‘Ich’ is min of meer ons zelfbewustzijn en het ‘Über-ich’ onze moraal, onze normen en waarden. In de psychiatrie/psychologie is het overduidelijk dat allerlei onbewuste fysieke processen sturend zijn voor ons handelen. Mijn hormonale huishouding en de regulerende functie van mijn hypofyse kunnen mijn gedrag sterk bepalen. In zoverre mijn bewustzijn mijn gedrag bepaalt, zijn er dus randvoorwaarden die daarop van invloed zijn. Veel van mijn handelingen zijn al bepaald voordat ze tot mijn bewustzijn doordringen. Mijn bewustzijn is er pas achteraf van op de hoogte waarom ik handelde zoals ik gehandeld heb en vindt daar ook pas achteraf een reden of verklaring voor. Ik heb gedronken (handeling) omdat ik dorst had (verklaring).

De hersenwetenschap heeft de laatste tijd de psychologie overrompeld. Zij beweert dat de mens als psychologisch wezen niet meer echt meetelt. Ze hanteert vaak als verklaringsmodel voor het menselijke bewustzijn een stijf reductionistisch materialisme. De mens als bewust handelend subject is uitgerangeerd. Er is alleen een fysiologisch stimulus en ook alleen een fysiologisch bepaalde respons. Descartes (1596-1650) staat buitenspel met zijn dualistische onderverdeling van het menselijke subject in een res extensa (ruimtelijk ding) en een res cogitans (denkend ding). De invloed van het paradigma van de fysica – het natuurwetenschappelijk denken volgens een deterministisch model – in de hersenwetenschap, heeft het menselijke bewustzijn gereduceerd tot een functie van zijn fysiologische basis. Alleen een puur mechanistische verklaring voor het bewustzijn snijdt nog hout. Naast het bewustzijn vallen ook gevoel en emotie onder dat verklaringsmodel. De premisse dat mijn bewustzijn mijn ik bepaalt (‘ik ben mijn bewustzijn’) wordt ontkracht door de hersenwetenschap. Zij gaat ervan uit dat het onbewuste, de hersenen, de hormonale fysiologische processen het hele bereik van het menselijke handelen bepalen waar geen bewustzijn, persoon of ik aan te pas komt. Er is geen vrije wil en er is geen bewust ‘ik’ dat handelend en kiezend optreedt.

Het filosofisch probleem met verklaringsmodellen is, dat ze het resultaat zijn van de toepassing van analytische tools. Een verschijnsel wordt niet begrepen als iets dat als geheel gegeven is en zijn plaats inneemt in het geheel van verschijnselen. We begrijpen een mens niet meer als subject onder andere subjecten maar als een genoom met een genetische code. De rij van nucleotiden als bouwstenen van het DNA verklaren onze genetische code en zeggen op basis daarvan wie we ‘zijn’. Deze sterk gerationaliseerde opvatting werkt fundamenteel vervreemdend. Het reduceert de menselijke identiteit tot biofysische bouwstenen. Het menselijk bewustzijn en identiteit toont zich echter uitsluitend in relatie tot een geleefde en beleefde sociale werkelijkheid. Wat een huis in essentie is, wordt niet bepaald door de bouwkundige termen van de onderdelen waarmee een huis valt te definiëren, maar in het gebruik van het gebouw als woning; in het wonen dus. Kennis van de genetische code of hersenfuncties in al hun details is noodzakelijk om bijvoorbeeld oorzaken van ziektebeelden te begrijpen. Ze zijn echter principieel onvoldoende om inzicht te krijgen in het menselijke zelf en bewustzijn of de menselijke identiteit. Het verklaren vanuit de samenstellende delen schiet ook wetenschapsfilosofisch tekort. Het is een logische fout om het geheel vanuit zijn delen te verklaren; een mereologisch drogreden.

Als we nog eens goed kijken naar de beroemde stelling van Rene Descartes ‘cogito, ergo sum’ (ik denk, dus ik ben) verwijst die stelling naar een ‘ik’ dat ‘denkt’ en daaruit zijn ‘bestaan’ afleidt. Het denken waar Descartes naar verwijst, komt bijna naadloos overeen met wat wij bewustzijn of zelfbewustzijn noemen. Dat denken of bewustzijn is nadrukkelijk gelijk aan een ‘zelf’ of ‘ik’ want dat is wat overblijft als je aan het bestaan van alles twijfelt. In een act van twijfelen leidt je het noodzakelijke bestaan van een ‘zelf’ of ‘ik’ of ‘denken’ af. Ik ben het, die twijfelt, die bewust denkt. Het is voor Descartes paradoxaal om een onbewust denkend ‘ik’ te veronderstellen. 1

Buiten deze initiële vaststelling dat onze zelfidentiteit overeenstemt met een bewust denkend persoon of ik is het van belang de samenstelling van dat bewustzijn van een breder draagvlak te voorzien. Mijn identiteit of mijn zelf dat ik gewaar word als ik mij manifesteer in de mij omringende werkelijkheid beleef ik als een op zichzelf staande eenheid binnen een verscheidenheid. Daarin zijn ‘werkelijkheid’ en ‘zelf’ aan een permanente verandering onderhevig. In dat veranderingsproces ervaren we ons ‘zelf’ en die ‘werkelijkheid’ toch als een continuïteit. Deze onderliggende ervaring die zich uitstrekt in de tijd kunnen we wat mij betreft benoemen als onze geest, identiteit of zelf. Ze is het resultaat van al haar constituerende bestanddelen, bewust of onbewust, gevolg van een persoonlijke keuze of antwoord op een prikkel, bepaald door bewust gewild gedrag of door onbewuste drijfveren. In deze zin is mijn geest, zelf en identiteit een emergent verschijnsel van het geheel van al mijn eigenschappen. Net zoals kleur en temperatuur de emergente eigenschappen zijn van de samenstellende atomen van een object. Geest, zelf en identiteit zijn geen illusies maar een daadwerkelijk verschijnend product van het geheel van ervaringen van een persoon door de tijd. Dus als je je afvraagt wat een zelf, bewustzijn of identiteit is, stel je niet de vraag naar de onderdelen waaruit hij/zij is opgebouwd of naar de werking van zijn organen. Het is de verschijning van dat zelf in het geheel van zijn levenstijd. Het zelf als geest, uitgestrekt over de historie van zijn leven waarin hij/zij zich als handelend persoon presenteert en ervaart. Dit temporeel uitgestrekt bewustzijn stond voor Aurelius Augustinus (354-430) voor de tijd die hij benoemde als ‘distentio animi’, de uitgestrektheid van de ziel.

Als je denkt aan de miljarden jaren van evolutie die hebben geleid tot de homo sapiens bekruipt je toch de vraag waarom pas op het einde van dat proces de geest als duveltje uit een doosje op het toneel van de biosfeer verschijnt. Het is niet ondenkbaar dat geest een bestaansvoorwaarde voor leven überhaupt is zoals ruimte en tijd dat zijn. 2 Geest is dan een onderliggende mogelijkheidsvoorwaarde. Het ‘zijn’ als ongearticuleerde voorwaarde voor al het ‘worden’. Deze speculatieve benadering vanuit de continentale filosofische ideeëngeschiedenis biedt tegenwicht aan de duiding van mens en menselijkheid door een kille wetenschap.

Een van de grondleggers van de psychiatrie naast Carl Gustav Jung en Sigmund Freud, is Viktor E. Frankl. In de kern komt zijn psychiatrische visie erop neer dat veel psychiatrische ziektes (neuroses) ontstaan doordat mensen geen zinvolle invulling kunnen geven aan hun bestaan. Ze zijn vervreemd van zichzelf en van hun omgeving. Ze vinden in hun omgeving geen bij hen passend bestaan. De zin die ze zoeken en hun vragen, wijken af van het aanbod dat onze moderne samenleving hen biedt. Frankl is ervan overtuigd dat we in de beperkte ruimte van ons bewustzijn een plaats moeten creëren waar we ons thuis kunnen voelen. En die plaats is er getuige zijn uitspraak:

‘Between stimulus and response, there is a space. In that space is power to choose our response. In our response lies our growth and our freedom’ 3

__________________

1 Marc Slors, ‘Dat had je gedacht’
2 Bert Keizer. https://www.filosofie.nl/nl/weblog/1844/oorsprong.html
3 Viktor E. Frankl, ‘Man’s search for meaning’

Advertenties