Wetenschap en filosofie, filosofie en wetenschap.

door Denkerij®

Zijn er meerdere vormen van denken? Is het wetenschappelijke denken anders dan het filosofische denken of andersom? Wat kenmerkt dan het wetenschappelijk denken en wat het filosofische denken? Verschilt vervolgens het denken van de continentale filosofen wezenlijk van het denken van de analytische filosofen? Is het fenomenologische denken dat abstraheert van de oorzaak-gevolg relatie ‘slechts’ filosofisch en het analytische causale denken maatgevend voor het wetenschappelijk filosofisch denken?

In het onderstaande zal ik proberen de bovenstaande vragen nader toe te lichten. In de voorafgaande blogs over vrije wil, bewustzijn, identiteit, brein, enz. scheren wetenschap en filosofie gevaarlijk dicht langs elkaar of komen zelfs met elkaar in botsing.

Kort gezegd kun je zeggen dat het wetenschappelijk denken gebaseerd is op een methode. In de natuurkunde en scheikunde is deze methode het duidelijkst. De werkelijkheid of empirie staat toe dat er verschijnselen worden waargenomen. Op basis van die waarnemingen worden wetten geformuleerd die onder andere moeten voldoen aan wetenschappelijke basisvoorwaarden zoals consistentie, logische validiteit, beginsel van niet-tegenstrijdigheid en algemene geldigheid. Het val-verschijnsel (de appel valt van de boom) is een empirisch feit dat in een experiment kan worden herhaald, kan worden gemeten en worden voorspeld. Er kan een algemene wet worden opgesteld waarmee het vallen van voorwerpen wordt beschreven, verklaard en afgeleid; de inductieve methode. De zwaartekrachtwet is hiervan een voorbeeld.

Naast empirisch is het wetenschappelijk denken causaal van aard. Er kan zich geen verschijnsel voordoen zonder dat daar een oorzaak voor valt aan te wijzen. Werking is het gevolg van een oorzaak. Sinds David Hume (1711-1776) weten we dat we geen been hebben om op te staan, als we oorzaak en gevolg aan elkaar willen verbinden. We nemen bijvoorbeeld slechts waar dat er een stotende kracht is (oorzaak) die de bal voortbeweegt (gevolg) en concluderen daar bewegingswetten uit. Maar de koppeling maken we in ons hoofd. Het is volgens de logica niet noodzakelijk dat empirische verschijnselen zich altijd zo zullen voordoen als in voorafgaande gevallen waargenomen. Dit inzicht haalde Immanuel Kant (1724-1804) uit zijn dogmatische sluimer. Als we denken over de werkelijkheid en die werkelijkheid willen kennen, leert Kant, komen we niet verder dan het vaststellen van de mogelijkheidsvoorwaarden van dat kennen. De principes of voorwaarden voor een waarneming zijn bijvoorbeeld ruimte en tijd. Het zijn de a priori zuivere vormen los van iedere ervaring, waarbinnen de waarneming (Anschauung) gestalte krijgt. Hiermee is de objectieve empirische kennis in theoretische zin exit omdat het ‘ding an sich’ niet kan worden gekend. De werkelijkheid is een vaststaand gegeven, dat we aannemen. Evenals een axioma, onbewijsbaar.

Op theoretische gebied zijn er ook de nodige haken en ogen aan het wetenschappelijke denken. De tijd is een verschijnsel dat door de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein (1879-1955) is gedegradeerd. Bij Isaac Newton (1643-1727) nam de tijd samen met de ruimte een absolute positie in. Elk object wordt waargenomen op een bepaalde positie op een bepaald moment. Na Einstein moet er rekening worden gehouden met de bewegingstoestand van de waarnemer. Eerder en later wordt niet meer door de absolute tijd bepaald maar door de snelheid van bewegen van de waarnemer. De richting van de tijd is dan nog onaangetast. Na de publicatie van de algemene relativiteitstheorie loopt de tijdspijl niet meer onomkeerbaar van verleden via heden naar de toekomst. De tijd is in de natuurkundige vergelijkingen omkeerbaar. De absolute factor is de lichtsnelheid geworden. Dit gegeven levert een tegenspraak op met de entropie wet, de tweede hoofdwet van de thermodynamica. In een gesloten systeem neemt de moleculaire wanorde altijd toe in de tijd. De richting is onomkeerbaar; van orde naar wanorde. In empirische zin kunnen niet beide waar zijn.

In de praktijk levert de wetenschappelijke kennis en het wetenschappelijk denken echter veel op. De wiskunde en statistiek beschrijven veel verschijnselen en de wetmatigheden daarvan. De praktische toepassingen van het wetenschappelijke kennen zijn legio. Natuurkunde en scheikunde hebben veel technologische oplossingen geleverd en welvaart en welzijn van de menselijke soort aanzienlijk verbeterd. Maar toch……

Het is niet nodig om alle verschijnselen te verklaren. Verklaren is de kernactiviteit van het wetenschappelijk denken. In het filosofische denken en zeker in zijn continentale variant zijn verschijnselen gegeven in hun context. Het gaat erom de ervaring te ‘verstaan’. Dit Duitse ‘Verstehen’ is het kernbegrip van het fenomenologische denken. In dit denken worden de verschijnselen vanuit hun context begrepen zonder theoretisch raam dat ze bijvoorbeeld in een causaal verband plaatst. Een fenomeen is onmiddellijk gegeven en niet op de eerste plaats object van een kennende instantie. Een huis is geen object dat gebouwd is van steen, met een dak, verschillende ruimtes, belast met een hypotheek, enz. Een huis is in wezen een onmiddellijk gegeven activiteit; namelijk een ‘plek’ om te wonen. In die zin is het een context die ‘verstaan’ kan worden als een fenomeen (huis) dat gekoppeld is aan de act van wonen. Het huis neemt deel aan een levende werkelijkheid van de essentie wonen en is daarin geen object maar deel van de subjectieve context van mijn bestaan.

De boerenschoenen die Vincent van Gogh (1853-1890) schilderde (afbeelding) roepen de context op waarin ze werden gedragen en de context waarin de drager leefde. De vraag wat is een schoen, wordt niet naar waarheid beantwoord als vervolgens een woordenboek definitie wordt gegeven van: ‘een object veelal van leer dat dient als voetbekleding’. Naar waarheid zijn die boerenschoenen van Van Gogh dat wat een subject draagt en zijn ze in dat dragen op geen enkele manier voorwerp van een geobjectiveerde ken-act. De waarheid van wat schoenen zijn, het wezen van schoenen, wordt medegedeeld door de subjectieve act van het dragen en gebruiken van de schoenen in hun context. In deze zin is waarneming altijd subjectief. Ieder paar schoenen krijgt daarmee een unieke identiteit en is moeilijk te vatten voor de verklarende beschrijvingen en de objectiverende algemeenheid van de wetenschap.

Het fenomenologische denken probeert zoveel mogelijk context te beschouwen en mee te nemen in het ‘verstaan’ van wat in de waarneming gegeven is. Het denken maakt zich daarin breed. Door breeddenken ontstaat een gelaagdheid binnen het waarnemen. Veel van wat aanvankelijk verborgen blijft, wordt in het fenomenologisch denken zichtbaar (aletheia). Door er denkend mee bezig te zijn wordt de context en wat daarin gegeven is steeds meer onthuld. Het denken laat zijn licht schijnen over de context en verbreedt die. Ook het brein, het bewustzijn en de wil tonen zich pas in hun context. Wat het brein is, laat zich pas zien in het biologisch wezen dat handelt in de context van zijn biotoop. Alles waar ik mij bewust van ben, wordt bepaald door de context van mijn bewustzijn. Of mijn wil vrij is, toont zich in de act van mijn willen; het maken van keuzes. Mijn identiteit is het gevolg van mijn levensproject, continu in ontwikkeling en daadwerkelijk verschijnend in het geheel van ervaringen van mij als persoon door de tijd.

 

Advertenties