De helaasheid der dingen als het gratis geld betreft

De drijfveer van Karl Marx (1818-1883) om zijn talloze werken te schrijven, was niet alleen de schrijnende omstandigheden van de loonarbeiders in de 19e eeuw, maar ook zijn visie op arbeid. Arbeid moest gereduceerd worden tot een minimum, zodat de mens zich vrij kan ontwikkelen. Ieder individu moet in staat worden gesteld om zich kunstzinnig te uiten, zich wetenschappelijk of anderszins te vormen, door de noodzakelijke arbeidstijd zoveel mogelijke te bekorten. Hij schrijft dat in zijn ‘Grundrisse der Kritik der Politischen Ökonomie’ van 1857-1858. Tien jaar na de ‘Grundrisse’ zal het eerste deel van ‘Das Kapital; Kritik der Politischen Ökonomie’ verschijnen.

Het volledige citaat:

“Die freie Entwicklung der Individualitäten, und daher nicht das Reduzieren der notwendige Arbeitszeit um Surplusarbeit zu setzen, sondern überhaupt die Reduktion der notwendige Arbeit der Gesellschaft zu einem Minimum, der dann die künstlerische, wissenschaftliche etc Ausbildung der Individuen durch die für sie alle freigewordne Zeit und geschaffnen Mittel entspricht.“ (Grundrisse, s.593).

Karl Marx geeft in de Grundrisse en Das Kaptital op de eerste plaats een economische analyse van arbeid. In sociologische zin heeft hij loonarbeid ook gekarakteriseerd als vervreemding omdat de fabrieksarbeider door de arbeidsdeling vervreemd is van het eindproduct.

Wat werk of arbeid is of zou moeten zijn valt niet gemakkelijk te verwoorden. Toch moet je er gedegen over nadenken om het enigszins adequaat te kunnen beschrijven. Binnen de ideeëngeschiedenis is dat veelvuldig gedaan. Een van de grote denkers die het verschijnsel arbeid heeft gethematiseerd is de filosofe Hannah Arendt(1906-1975). In haar werk ‘The Human Condition’ maakt ze onderscheid tussen vormen van menselijk activiteiten. Ze onderscheidt er twee: De ‘vita activa’ en de ‘vita contemplativa’. De laatste was min of meer het ideaalbeeld van Karl Mark. Als het winstprincipe kon worden beteugeld en er geen surplusarbeid (meerwaarde) meer nodig was om het kapitaal te vermeerderen, kon de mens zijn bezigheden weer een eigen niet-vervreemdende invulling geven.

Hannah Arendt gaat in haar sociologische en politieke analyse van de ‘vita activa’ uit van drie vormen van menselijke bezigheid: Arbeid, werk en handelen: Bij arbeid hebben we te maken met alle vormen van bezigheden die zich herhalen en onmiddellijk worden geconsumeerd. Denk aan het produceren of verzamelen van voeding maar ook aan banale dingen als schoonmaken of alle andere zaken die met een zekere regelmaat terugkeren. Van arbeid kan de mens zich niet ontdoen. Hij kan een deel hooguit overdragen of uitbesteden, maar in feite moet hij zichzelf reproduceren en: “in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen”.

Werk is een vorm van menselijke activiteit die doelgericht is en in dat doel ook zijn voltooiing vindt. Het resultaat van werk is blijvend, zoals de bouw van een huis. Er is een idee of een plan nodig. Er moeten middelen worden aangewend zoals grondstoffen en gereedschappen. Dit onderscheidt de mens van andere soortgenoten die ‘arbeid’ verrichten om in het onderhouden van hun primaire behoeften te voorzien. Maar ook het onderhouden van relaties zou werk genoemd kunnen worden. Hierin wordt verwezen naar een intrinsieke waarde die op zichzelf niet economisch van aard is. De waarde van genegenheid in een relatie heeft niet dezelfde status als een economische gebruikswaarde of nut en heeft zeker geen ruilwaarde. Kunstwerken worden ook door werk voortgebracht en hebben een blijvende niet consumeerbare waarde en een lage gebruikswaarde. De ‘Nachtwacht’ is ooit gemaakt om een vertrek in te richten en aan de muur te hangen. Het schilderij hangt al bijna 400 jaar aan een muur en je kunt er nog steeds alleen maar naar kijken. De ruilwaarde laten we hier even buiten beschouwing.

Het laatste dat Hannah Arendt onderscheidt binnen de menselijke activiteiten is het handelen. Handelen is dan niet zozeer het verrichten van een aantal handelingen om een economisch product voort te brengen. Handelen is in woorden en daden het produceren van een sociaal politieke samenleving. In wat ik doe en zeg presenteer ik mij aan – of breng ik mijzelf tot uitdrukking binnen mijn sociale omgeving. Hannah Arendt probeert als leerlinge van Martin Heidegger (1889-1976) het begrip handelen van de mens te plaatsen in de brede context van het articuleren van het menselijk leven; van wat Heidegger ‘Dasein’ noemt. De mens manifesteert zich dan pas als mens, door in de wereld te zijn, door te existeren. ‘Zijn’ wordt bij hem altijd werkwoordelijk begrepen. In het handelen en spreken creëer ik mijn sociale omgeving door in contact te treden met anderen. Ik creëer zodoende ook mijn vrijheid door tot uitdrukking te brengen wat ik wil en dat in overeenstemming te brengen met wat anderen willen. De oude Grieken herkenden in dat proces hun ‘Polis’ als politieke gemeenschap die ruimte bood en dus de vrijheid gaf om het individuele bestaan waar te maken. Ook in onze tijd ligt de bestemming van onze activiteiten in de haven van een politieke gemeenschap die onze vrijheid waarborgt. Door met elkaar daden en woorden te gebruiken als middelen, brengen we de ‘human condition’ als doel voort.

Deze driedeling in menselijke activiteiten vinden we niet terug in het boek ‘Gratis geld voor iedereen’ van Rutger Bregman. In hoofdstuk 2; ‘Een werkweek van 15 uur’, geeft hij alleen een economische analyse van hoe wij in navolging van John Maynard Keynes (1883-1946) onze noodzakelijke arbeidstijd kunnen verkorten. In economische zin (rekenkundig) is het heel goed denkbaar dat er binnen afzienbare tijd een samenleving zou kunnen ontstaan, waarin het verschijnsel arbeid, in de vorm van de loonarbeid van Karl Marx, of de arbeid die gekoppeld is aan een consumptieve behoeftebevrediging, zal kunnen worden geminimaliseerd. Rutger Bregman geeft de voorbeelden van experimenten die in het nabije verleden al aanzet waren voor een reductie van de noodzakelijke arbeidstijd: De vijfdaagse werkweek van Henry Ford, de 6-uur ploegendienst van de Kelloggs, de 3-daagse werkweek van Heath en eigenlijk ook alle oorlogseconomieën.

De grote beer op de weg is en blijft zoals Karl Marx het noemde ‘het vampier karakter van het Kapitaal’. Het is inherent aan de werking van de financiële economie dat het produceren van rendement behoort tot de metalogica van het financiële systeem. Zelfs al zou de mens minder loonarbeid hoeven te verrichten, dan zou voor de instandhouding van de financiële vermogens nog steeds een meerwaarde moeten worden geproduceerd. Pas als het tweede-machine-tijdperk vol op stoom is en robots en AI (artificial intelligence) in hoge mate de productie van onze primaire behoeften overnemen, ontwikkelt zich een perspectief. Maar dan nog.

Sinds de jaren 70 is de productiviteit enorm gegroeid en zijn de werkuren enorm gedaald, maar tegelijkertijd is het mediane loon van de middeninkomens in de westelijke wereld nauwelijks toegenomen. Het reële inkomen is na de jaren tachtig ongeveer gelijk gebleven, de ongelijkheid geëxplodeerd en toch is de consumptie nog nooit zo hoog geweest. Op krediet, dat wel. (RB pag, 43) Het groeien van de ongelijkheid en het gebrek aan een systeem dat de revenuen van wat onze economieën produceren rechtvaardiger verdeelt (social justice), is een veel groter probleem. Als we in het tweede-machine-tijdperk zijn terechtgekomen en ons een ‘positieve vrijheid’ zouden kunnen permitteren, met andere woorden onze vrijheid zouden kunnen betalen, rest ons nog wel bezit te nemen van de productiemiddelen.

Er is weinig hoop. Een gelijkere samenleving is nog nooit zover weg geweest. Wat we nodig hebben om een door Marx, Arendt en Bregman gewenste samenleving met minder werk maar meer welzijn en voldoende inkomen voort te brengen, ligt niet binnen het bereik van onze politieke democratieën. Die brengen laatstelijk alleen maar autocraten voort, die hun land zien als een groot bedrijf, waar politieke macht te koop is via uitgekiende marketingstrategieën. De financiële markten hebben ook geen belang bij een herverdeling van de ongekend grote vermogens die ze beheren en waar ze bij voorkeur robots en AI van kopen.

Tenslotte nog één citaat dat aangeeft waar de rendementen van de productiviteitsgroei blijven:

“Consider executive pay. During the 1950s and ’60s, CEOs of major American companies took home about 25 to 30 times the wages of the typical worker. After the 1970s, the two pay scales diverged. In 1980, the big-company CEO took home roughly 40 times; by 1990, it was 100 times. By 2007, just before the Great Recession, CEO pay packages had ballooned to about 350 times what the typical worker earned. Recent supports suggest that the upward trajectory of executive pay, temporarily stopped by the economic meltdown, is on the verge of continuing. To make the comparison especially vivid, in 1968 the CEO of General Motors—then the largest company in the United States—took home around 66 times the pay and benefits of the typical GM worker at the time. In 2005, the CEO of Wal- Mart—by then the largest U.S. company—took home 900 times the pay and benefits of the typical Wal-Mart worker.” The Spirit Level 2009, Foreword by Robert B. Reich

 

Ook al gaan we Politiek met hoofdletter schrijven zoals Rutger Bregman bepleit en zouden we met ongekend elan een politieke omwenteling willen bewerkstelligen, dan nog ontbreken ons de middelen. Het hele financiële systeem is digitaal en viraal geworden. Een revolutie op de Zuid-as die zich daar alle productiemiddelen toe-eigent, komt er na enkele seconden achter, dat milliseconden daarvoor alle kapitaal geparkeerd is op een of ander eiland dat zich niet bezighoudt met revoluties.

 

Advertenties