Opmerkingen over de vervreemdingstheorie van Karl Marx

door Denkerij®

De receptie van het denken van Karl Marx (1818-1883) heeft heel veel scholen voortgebracht: de politieke Marx van het reëel existerend socialisme tijdens het communisme in de Sovjet-Unie en China. De wetenschappelijke Marx van de economische analyses in ‘Das Kapital’. De filosofische of humanistische jonge Marx van de sociologische analyses in zijn ‘Frühschriften’ waaronder de ‘Pariser Manuskripte’, die pas in 1932 werden gepubliceerd. Met de humanistische Marx en zijn theorie van de vervreemding, wil ik mij in onderstaand blog bezighouden.

De vervreemdingstheorie ontstaat als Marx de geschriften van Ludwig Feuerbach (1804-1872) heeft gelezen. Feuerbach is evenals Marx een ‘leerling’ van Georg Friederich Wilhelm Hegel (1770-1831). Feuerbach heeft een fundamentele kritiek op het Duits Idealisme dat zijn hoogtepunt vindt in het denken van Hegel. Bij Hegel is de ‘Geist’ de alles bepalende factor voor de werkelijkheid, omdat die werkelijkheid een product is van de ‘Geist’ (lees God), die in een historische proces zichzelf naar buiten toe verwerkelijkt (veruitwendigt) en weer in zichzelf terugkeert. Feuerbach verwerpt het idealisme en stelt dat de werkelijkheid uitsluitend materie is. Hij ziet de Natuur in navolging van Benedictus Spinoza (1632-1677) als de alles bepalende Substantie.

Marx is duidelijk geïnspireerd door Feuerbachs kritiek op het vervreemdingsbegrip van Hegel. Bij Hegel raakt de mens vervreemd van zichzelf, doordat hij slechts naar buiten treedt (existeert) door de producten die hij voortbrengt. De mens veruitwendigt de ‘Geist’ terwijl het de bedoeling is dat de ‘Geist’ weer in zichzelf terugkeert. Dit vindt Marx de wereld op zijn kop zetten en hij wil hem juist „vom Kopf auf die Füße“ zetten, zoals de aan Marx toegeschreven uitspraak luidt. Ook de 11e stelling in zijn “Thesen über Feuerbach” heeft eenzelfde strekking: “Die Philosophen haben die Welt nur verschieden interpretiert; es kommt aber darauf an, sie zu verändern“.

Volgens Marx volgt het vervreemdingsproces een heel andere route. Door de loonarbeid in de geïndustrialiseerde kapitalistische samenleving raakt de arbeider juist sterk vervreemd van het product van zijn arbeid. De arbeidsdeling zorgt ervoor, dat hij geen zeggenschap meer heeft over het uiteindelijke product, het arbeidsproces en zijn natuurlijke sociale context. De vervreemding slaat toe omdat alleen zijn arbeidsvermogen nog waarde bezit als uitwendig object. Hij wordt als mens gereduceerd tot dat arbeidsvermogen in zijn activiteiten als loonarbeider. Als individu en dus als ondeelbaar subject heeft hij afgedaan.

In werk of arbeid in de pré-kapitalistische feodale samenleving heeft degene die een product voortbrengt zelf de volledige regie over zijn maaksel. Vanuit zijn innerlijke subjectbeleving, bewerkt hij de materie (grond of grondstof) met productiemiddelen waarvan hij of zelf bezitter is of waarvan hij de opbrengsten grotendeels zelf kan behouden. Hij doet dat binnen een gemeenschap waar hij door zijn arbeid aan bijdraagt en die hij daardoor in stand houdt. Arbeid is een sociale activiteit binnen een ‘commune’. De creativiteit van het arbeidsproces is een proces van naar buiten treden (veruiterlijken) waarin de arbeider zichzelf als wezenlijk ervaart en hij zijn identiteit onvervreemd tot uitdrukking kan brengen.

Wat er gebeurt in de overgang van het feodale tijdperk naar de geïndustrialiseerde kapitalistische samenleving, is dat de mens als productiewezen wordt geobjectiveerd; ‘verdinglicht’. Het product van zijn arbeid is door de nieuwe productieverhoudingen alleen nog maar in geld, goederen en kapitaal herkenbaar. Deze vervreemding verstoort niet alleen de identiteit van de individuele arbeider, maar ook de samenleving als geheel. Dit inzicht zal sterk doorwerken bij de latere Marx. De samenleving zal op die manier ondergedompeld worden in een klassenstrijd tussen de bezitters van de productiemiddelen en het daarvan vervreemde proletariaat van loonarbeiders.

Bij de jonge Marx die in 1844 aan zijn ‘Ökonomisch-Philosophischen Manuskripten” werkt, is het echter vooral de analyse van de vervreemding van de arbeid die hem bezighoudt:

„In der Bestimmung, daß der Arbeiter zum Produkt seiner Arbeit als einem fremden Gegenstand sich verhält, liegen alle diese Konsequenzen. Denn es ist nach dieser Voraussetzung klar: Je mehr der Arbeiter sich ausarbeitet, um so mächtiger wird die fremde, gegenständliche Welt, die er sich gegenüber schafft, um so ärmer wird er selbst, seine innre Welt, um so weniger gehört ihm zu eigen. Es ist ebenso in der Religion. Je mehr der Mensch in Gott setzt, je weniger behält er in sich selbst. Der Arbeiter legt sein Leben in den Gegenstand; aber nun gehört es nicht mehr ihm, sondern dem Gegenstand. Je größer also diese Tätigkeit, um so gegenstandsloser ist der Arbeiter. Was das Produkt seiner Arbeit ist, ist er nicht. Je größer also dieses Produkt, je weniger ist er selbst. Die Entäußrung des Arbeiters in seinem Produkt hat die Bedeutung, nicht nur, daß seine Arbeit zu einem Gegenstand, zu einer äußern Existenz wird, sondern daß sie außer ihm, unabhängig, fremd von ihm existiert und eine selbständige Macht ihm gegenüber wird, daß das Leben, was er dem Gegenstand verliehn hat, ihm feindlich und fremd gegenübertritt.“ Erstes Manuskript, Die entfremdete Arbeit.[i]

Wat Marx hier beschrijft is het proces waarin zowel de arbeider als het product van zijn arbeid tot objecten worden. De arbeider als subject en dus mens in al zijn hoedanigheid en het product van zijn arbeid vervreemden van elkaar. Het is geen uitdrukking of veruitwendiging meer van de arbeider als subject. De smid herkent zijn eigen smeedwerk uit duizenden. Het is het door hem geproduceerde zwaard, waarvan de scherpte en de hardheid zijn trots als vakman uitdrukken. Arbeid is integraal verbonden met zijn leven, met wie hij is en zijn rol in de gemeenschap. Door de arbeidsdeling heeft de arbeider alleen nog een relatie tot objecten waar hij geen directe binding meer mee heeft. Deze ‘Verdinglichung’ of ‘reïficatie’ (letterlijk het tot ding (res) maken (facere)) ontzielt het subject en maakt het tot middel in een verzakelijkt productieproces. Arbeid wordt een louter middel van bestaan en de arbeider vervreemdt niet alleen van zichzelf maar ook van zijn leven en zijn medemensen:

„Eine unmittelbare Konsequenz davon, daß der Mensch dem Produkt seiner Arbeit, seiner Lebenstätigkeit, seinem Gattungswesen entfremdet ist, ist die Entfremdung des Menschen von dem Menschen.“ Erstes Manuskript, Die entfremdete Arbeit[ii]

In de Marx-literatuur is het een punt van discussie geworden of de vervreemdingstheorie een hoeksteen is van het Marxisme. De school van de humanistische Marx vindt van wel. Een vertegenwoordiger daarvan is de Marx-kenner en psychoanalyticus Erich Fromm (1900-1980) Zijn boek ‘Marx, Freud en de Vrijheid’ 1970 (een slecht vertaalde titel van ‘Beyond the chains of illusion. My encounter with Marx and Freud’ 1963) laat zien, dat het humanistisch mensbeeld van Marx tot en met zijn hoofdwerk ‘Das Kapital’ behouden blijft. Fromm vindt zelfs dat de opvattingen die Marx op 26-jarige leeftijd neerschreef in de ‘Pariser Manuskripte’ onveranderd tot het ideeëngoed van de ‘Grundrisse’ en ‘Das Kapital’ behoren.

Andere stromingen binnen het Marxisme beschouwen het werk van de jonge Marx als een voorfase van het wetenschappelijk socialisme, dat Marx uitwerkt in zijn latere werken. Maar ook daarin ontwikkelt hij zijn vervreemdingstheorie. Volgens Ernest Mandel (1923-1995), een Belgisch marxistische-econoom, is deze theorie ook daar nog aanwezig. De kapitalistische economie is een systeem dat door zijn marktwerking en vercommercialisering kunstmatige behoeften opwekt en daardoor een consumentenvervreemding bewerkstelligt. (Ernest Mandel: ‘Vervreemding en revolutionaire perspectieven’ 1972) Een van de axioma’s van de kapitalistisch georganiseerde economie luidt namelijk: mensen hebben eindeloze behoeften terwijl de middelen om ze te bevredigen schaars zijn. Het kapitaliseren van die behoeften kan dan alleen maar door het aanwakkeren van die behoeften via een systeem dat – zoals Marx zegt – de hebzucht in beweging weet te zetten.

[i] Vertaling: “Uit de constatering dat de arbeider zich tot het product van zijn arbeid verhoudt als tot een vreemd object, vloeien al deze consequenties vanzelf voort. Want hiervan uitgaande is het duidelijk: hoe meer de arbeider zich uitput, des te machtiger wordt de vreemde wereld der dingen die hij tegenover zich schept, des te armer wordt hijzelf, zijn innerlijke wereld, en des te minder behoort hem persoonlijk toe. Het is net zo als met de godsdienst. Hoe meer de mens in God plaatst, des te minder houdt hij in zichzelf over. De arbeider legt zijn leven in het object; maar nu behoort zijn leven niet meer hem toe, maar het object. Hoe groter zijn activiteit dus is, des te minder kan hij zijn eigen noemen. Wat het product van zijn arbeid is, is hij niet. Hoe groter dus dit product, des te minder is hij zelf. Deze veruiterlijking van de arbeider in zijn product betekent niet alleen dat zijn werk tot een ding, tot een uiterlijke existentie wordt, maar dat het buiten hem, onafhankelijk en geïsoleerd van hem existeert en zich als zelfstandige macht tegenover hem plaatst, het betekent dat het leven, dat hij het object geschonken heeft, hem vijandig en vreemd tegemoet treedt.” http://www.marxistsfr.org/nederlands/marx-engels/1844/manuscripten/1.htm#1

 

[ii] Vertaling “Een direct gevolg van het feit dat de mens van het product van zijn arbeid, van zijn levensactiviteit, van zijn soortelijk wezen vervreemd is, is de vervreemding van de mens van zijn medemens”.

http://www.marxistsfr.org/nederlands/marx-engels/1844/manuscripten/1.htm#1

 

Advertenties