Denkerij®

Toegepaste filosofie voor mensen, het bedrijfsleven en organisaties

Maand: april, 2017

De mens als bedreigd cultuurwezen

De huidige samenleving bevindt zich in een ogenschijnlijk doodlopende steeg. De cultuur die wij hebben ontwikkeld is voor een groot deel grondig vervreemdend gebleken. We voelen ons niet meer behaaglijk. De snelheid waarmee de realiteit en het leven veranderen, is voor velen niet meer bij te houden. De veranderingen overheersen en veel mensen komen daardoor tot stilstand. We voelen het onbehagen. We zijn niet meer veilig. Er is dreiging en angst omdat er teveel vreemdheid om ons heen is. De beschermende cultuur herkennen we niet meer. We worden teruggeworpen op een natuurtoestand waarin de mens een kwetsbaar en bedreigd schepsel is. We hebben ons als cultuurwezen; als ‘homo sapiens’ nu juist ontwikkeld om de natuur te beheersen, zodat we kunnen overleven.

Sigmund Freud (1856-1939) schrijft in 1930 een beschouwing over de cultuur en de mens als cultuurwezen: ‘Das unbehagen in der Kultur’. Fischer 2009 Het essay presenteert een cultuurbegrip dat is afgeleid uit zijn psychoanalytisch denken over de mens, dat Freud als wetenschappelijk beschouwt. In hoeverre dit denken nog standhoudt binnen het hedendaagse wetenschappelijk denken dat streng empirisch en reductionistisch is, laat ik even buiten beschouwing. In ieder geval is het denken van Freud een heel goed verhaal, dat verwijst naar de wezenskenmerken die het menselijk gedrag bepalen. De uitspraak dat het denken van Freud allemaal ‘bullshit’ is, mag opgang doen in het behaviorisme maar in de humanistische psychologie staat de waarde ervan nog buiten kijf.

De mens is een driftwezen. De drijfveren en het instinct van de mens zijn het resultaat van een miljoenen jaren durende evolutie. Hoewel hij een van de dieren is waarvan het aanpassingsvermogen misschien het best ontwikkeld is en zijn ‘survival of the fittest’ als bijzonder geslaagd kan worden beschouwd, blijven zijn driften een wezenskenmerk van zijn constitutie. De mens heeft heel lang ongeremd zijn instincten kunnen volgen en zich pas sinds pakweg 40.000 jaar cultureel ontwikkeld. In zoverre hij zijn cultuur geïncorporeerd heeft, treffen we in hem een voorlopig onopgeloste tegenspraak aan; de mens als natuurwezen én als cultuurwezen.

De cultuur is gaandeweg het verdedigingsmechanisme van de ‘homo sapiens’ tegen de natuur geworden. In een steeds hoger tempo heeft de mens zijn technische hulpmiddelen geperfectioneerd waardoor de hem bedreigende natuurkrachten grotendeels zijn getemd. Maar ook in het sociale domein heeft hij allerlei cultuurvoorwaarden ontwikkeld om een leefbare samenleving mogelijk te maken. Veel van die voorwaarden hebben zich echter ontpopt als onderdrukkingsmechanismen van de natuurlijke driften. Er zijn allerlei verboden en geboden die het sociale gedrag moeten reguleren. Ze zijn vastgelegd in culturele instituties en riten om de driften te onderdrukken, die het sociale verkeer zouden kunnen frustreren. Ongebreideld gedrag en de daaraan gekoppelde geluksgevoelens moeten worden getemperd. De cultuur mens ontwikkelt schuldgevoelens om hem in het gareel te houden en betaalt daarmee de prijs voor de vooruitgang in een geordende samenleving. Zijn reproductieproces in brede zin wordt ingeperkt door een sociaal systeem waarin seksualiteit ingekaderd wordt in gesanctioneerde samenlevingsvormen. Het is duidelijk: “…dass [die heutige Kultur] die Sexualität als selbstständige Lustquelle nicht mag.“ Andere primaire behoeftes zoals voeding, kleding, beschutting, worden door de culturele ontwikkeling en door georganiseerde arbeid ingekaderd. Zo berust het leven van de mens steeds meer op arbeidsdwang en driftonderdrukking.

In zijn beroemde indeling van de menselijke psyché in het ‘Es’ (onbewust-driftleven), het ‘Ich’ (bewuste denken) en het ‘Über-ich’ (het geweten), geeft Freud aan dat het ‘Es’ en het ‘Über-ich’ dwingend met elkaar verknoopt zijn. Als drager van de culturele tradities en de daaraan gekoppelde geboden en verboden is het ‘Über-ich’ onlosmakelijk verbonden met het ‘Es’ als drager van het driftleven. De moderne neurotische mens is een uitdrukking van het voortdurende conflict wat zich tussen beide zijnsinstanties afspeelt. Hij kan zijn tekortkomingen ten opzichte van de eisen van de culturele idealen niet langer aan. Dat maakt hem ziek. De lusten zoals seksualiteit en agressie worden in toom gehouden door het schuldgevoel dat in het ‘Über-ich’ zetelt als geweten. Freud geeft in zijn essay een uitgebreide ontwikkelingsgeschiedenis van het schuldgevoel en het geweten. In die analyse geeft hij ook aan dat de oorsprong van het geluksgevoel van de mens in een ongeremd driftleven ligt. Het najagen van perverse impulsen en het toegeven aan prikkels om het verbodene te doen, geven een bevrediging die de getemde lust ver overtreft. De instinctmatig gereguleerde lustbevrediging is van nature geïncorporeerd in zijn wezen. Dat de mens in zijn pre-cultureel bestaan gelukkiger is geweest, daar gaat ook Freud niet vanuit, getuige dit citaat: “…der Absicht, dass der Mensch ‘glücklich‘ sei, ist im Plan der Schöpfung nicht enthalten.“

In ieder geval moeten we er in de cultuuranalyse ernstig rekening mee houden dat onze door driften gestuurde passies sterker zijn dan de door ons gecreëerde redelijke belangen. Er is een onverzoenlijke tegenstelling tussen wie we van nature zijn en het met rede begiftigde cultuurwezen. Het cultuurtraject dat we bewandeld hebben, heeft ons geleerd om zuiverheid en orde tot wezenskenmerken te verheffen van onze nuttigheidscultuur. We gaan tot het uiterste om onszelf die culturele wezenskenmerken op te leggen. De machtsuitoefening van ons cultuursysteem is meedogenloos bij overtreding, terwijl we van nature neigen naar nalatigheid, onregelmatigheid, onbetrouwbaarheid en gesjoemel. Deze tegenstelling houdt ons gevangen. Onze pogingen om hoogwaardige uitdrukkingen van de menselijke geest (Hegel’s ‘absolute Geist’) te ontwikkelen in religie, kunst, wetenschap en filosofie blijken onvoldoende. De sublimering is ontoereikend om met name de agressiedrift in toom te houden. Bovendien is het maar aan een kleine elite gegeven dit proces van sublimering waar te maken. Het projecteren en verschuiven van de lustbevrediging naar een hoger psychisch handelen in kunst, wetenschap en ideologie, lijkt deze elite een bijzondere positie te geven. Ze zouden zich losgemaakt hebben van hun begeerten. De werkelijkheid leert ehter anders. Het is niet toevallig dat bij dat verheven deel van de mensheid de meeste neurotische klachten voorkomen en dat daar soms ongekend geniepige strategieën worden gehanteerd om de driften alsnog bot te vieren. De cultuur veronachtzaamt in hoge mate de kracht van het driftleven. Ze slokt veel van de psychische energie op en vervormt en vervreemdt de directe bevrediging van de driftimpulsen.

De knechting door de cultuur leidt tot onbehagen. De mens voelt zich gefrustreerd en onvoldoende gecompenseerd door zijn welvaart, blingbling, consumentisme, geld en de hogere culturele bevredigingservaringen. Het onbehagen duikt massief op in de huidige cultuur. Het populisme lijkt een uitdrukking van diepgevoelde onvrede met de werkelijkheid, omdat zoals Freud het noemt: het ‘Realitätsprinzip’ en het ‘Lustprinzip’ volledig uit balans zijn. De samenleving lijdt onder zijn neuroses.

Gebaseerd op onder andere het essay van Freud heeft Bas Heijne columnist van de NRC en winnaar van de P.C. Hooft-prijs voor de essayistiek een beschouwing geschreven, die ook het onbehagen in de huidige samenleving tot onderwerp heeft: “Onbehagen, nieuw licht op de beschaafde mens.” Ambo/Anthos 2016. Hij start zijn kritiek vanuit een ander perspectief dan Freud maar komt later weer op hem terug. Heijne geeft aan dat het humanistisch ideaal van de Verlichting zijn Waterloo heeft gevonden. Het daarin beleden vooruitgangsgeloof heeft in materieel opzicht veel gebracht. Alle noden van de moderne mens in de westerse wereld zijn gelenigd waar het zijn primaire behoeften betreft. Maar zijn ervaring en beleving als subject en persoon staan onder zware druk. Zijn bestaan raakt geobjectiveerd. Zijn waarde als mens lijdt onder de kwantificering van zijn identiteit. Hij herkent zich niet meer in wetenschappelijke statistieken, die uitspraken over hem doen in een niet aflatende stroom van grafieken en statistische vergelijkingen. Het verwetenschappelijkte mensbeeld maakt hem van subject tot object. Bovendien begrijpt hij niet waar ze het over hebben als de zoveelste hersenprofessor op TV zegt dat de mens niets over zichzelf te vertellen heeft en dat zijn brein wel bepaalt wat goed voor hem is. Vrije wil exit, persoon exit. De hele overweldigende empirie van hersenfeiten ontbreekt het nog aan iedere betekenis gevende context. Die feiten zijn koude getallen zonder het verhaal dat betekenis moet geven aan een ieders subjectief ervaren bestaan. In de belevingswereld waarin het lustprincipe de scepter zwaait, wordt een behoefte pas bevredigd als de bevrediging overeenstemt met mijn wensgedachte.

Men kan zich afvragen of we niet te verwend zijn. Als we de werkelijkheid niet aan kunnen, moeten we dan macht verwerven over die realiteit en onze agressiedrift ruim baan geven om haar aan diggelen te slaan of moeten we de feiten vervangen door de door ons gewenste feiten? De agressiedrift en woede die opgesloten zit in de verstoring van het werkelijkheidsbeeld is inzichtelijk en navoelbaar. De werkelijkheid is ook vaak niet te verdragen. De manier waarop de samenleving wordt bestuurd door een volledig gerationaliseerde bureaucratie is zwaar intimiderend voor de gemiddelde burger. De overheid vertoont tirannieke trekken in het gebruik van zijn machtsmiddelen. Bovendien is ze niet meer aanspreekbaar maar versteend geraakt in websites en algoritmes. Vadertje Staat is verworden tot een digitaal monster dat zijn autocratisch regiem oplegt aan zijn kinderen; de burgers. De vadermoord roept zichzelf af. Beter verweesd dan zonder eigen identiteit, vrijheid en autonomie.

Het precariaat (een samenvoeging van de woorden precair en proletariaat om de economische onzekerheid van de lagere middenklasse aan te duiden) dreigt steeds groter te worden terwijl macht en middelen in handen zijn van een steeds kleinere groep. De groep die het precariaat bewoont, mist zekerheid en inkomen om voor zichzelf een positieve vrijheid (Isaiah Berlin) te waarborgen en groeit exponentieel. De burger is – om met Bas Heijne te spreken – geen klant die politiek en commercieel mag worden gemanipuleerd en uitgebuit. [1] De burger vraagt slechts om een ‘fair share’. Daarvoor moet de realiteit worden hervormd in overeenstemming met de gerechtvaardigde wensen van het precariaat. Deze omwenteling zal zich niet geruisloos voltrekken omdat er al teveel agressie is opgewekt, tenzij we een nieuwe betekenisvolle mythe kunnen formuleren. Lukt dit niet, blijft er alleen het apocalyptisch verhaal van een massale zelfdestructie over. De mythe of het verhaal moet betekenis geven aan de reducerende naakte feiten van de wetenschap. Pas als het brein weer mijn brein wordt, dat mijn persoonlijkheid vestigt en fundeert, verdraag ik de realiteit van die bundel neuronen en synapsen weer. Worden we gestuurd of sturen we zelf? Zijn wij ons bewustzijn of louter functie van hersenprocessen? Kunnen we ons brein zien zoals we de wereld zien of kan het brein alleen en zonder bewustzijn zichzelf zien? Communiceert het brein alleen met zichzelf of is er een wetenschappelijk nog ongedefinieerd bewustzijn dat zelf een communicerende instantie is? De nieuwe mythe, het nieuwe verhaal moet ook aan deze brein-bewustzijn paradox betekenis en duiding geven.[2]

 

[1] O.c. pagina 70

[2] idem

Advertenties

Leiderschap

Het dominantieprincipe speelt bij onze voorouders een belangrijke rol. Frans de Waal heeft jarenlang als bioloog een gemeenschap van chimpansees bestudeerd in de dierentuin van Arnhem. Zijn verslag van die studie heeft hij opgetekend in zijn boek ‘Chimpanseepolitiek, macht en seks onder mensapen’. Zijn bevindingen leren de homo sapiens veel over de onbewuste en instinctieve drijfveren die een rol spelen bij ons gedrag in een groep. Het ultieme doel van de mannen in de apenkolonie is het verwerven van de hoogste positie op de apenrots; die van alfaman. Daarvoor ontwikkelen ze politieke strategieën. Het verwerven en consolideren van de machtsbasis van hun leiderschap is een proces, dat een langdurig tactisch en strategisch handelingspatroon vergt. Zowel bij de apen als bij de mens worden in dit sociaal proces bluf, coalities en isoleringstactieken gebruikt, zegt de Waal.

De leider van een groep apen is niet eenvoudigweg de baas. Hij is weliswaar de ‘primus inter pares’; de eerste onder zijns gelijken, maar in die rol is hij afhankelijk van zijn netwerk. Zijn leiderschap staat voortdurend onder druk en hij is steeds bezig met het smeden van coalities. De vrouwen in de groep moet hij overtuigen van zijn vooraanstaande rol om zijn seksuele privileges te kunnen consumeren. Het gedrag dat de alfaman daarin tentoonspreidt, vindt de Waal hoogwaardig en intelligent en qua niveau vergelijkbaar met dat van zijn evolutionaire opvolger; de mens.

In zijn studie concludeert Frans de Waal dat de chimpansee evenals de mens een politiek dier (zoön politikon) is, zoals Aristoteles (384-322 BC) ons definieert in zijn ‘Poltica’. Politiek is volgens de Waal:

“sociale manipulatie om invloedrijke posities te verwerven en te behouden….politiek is overal om ons heen…..in ons gezin, op school, op het werk en op vergaderingen. Elke dag veroorzaken we conflicten of zijn we partij…Deze dagelijkse politiek wordt niet steeds herkend, omdat mensen meesters zijn in het camoufleren van hun bedoelingen …zwijgen (we) zorgvuldig over persoonlijke machtsmotieven.” [1]

Bovendien zijn onze machtsstrevingen vaak onbewust. We verbergen ze ook voor onszelf, terwijl ze een enorme invloed hebben op ons gedrag. Chimpansees kennen daarentegen geen ‘politieke correctheid’. Ze tonen open bloot dat ze willen domineren en zijn onverbloemd uit op macht en leiderschap. Machiavelli (1469-1527) is de eerste die in ‘Il principe’ beschrijft dat het politieke bedrijf uitsluitend een machtsspel is en dat de ‘lage’ motieven dé drijfveren zijn als er tot bloedens toe en erger wordt gevochten om de macht. In de Macbeth van William Shakespeare (1564-1616) maar ook in veel van zijn andere werk wordt de mens dramatisch ontluisterd in zijn moorddadig spel om leiderschap en macht. De meedogenloosheid die Shakespeare aan de kaak stelt, speelt zich ook af onder de chimpansees. De jarenlange dominantiestrijd in de Arnhemse Zoo eindigt ook in een moordpartij. Als twee oude leiders de leider van dat moment zwaar verwonden en zijn testikels afbijten, overlijdt hij aan zijn verwondingen.

Is er hoop of is de mens sociaal darwinistisch bepaald en kan hij zich niet onttrekken aan zijn instincten? Klopt het aforisme van Friedrich Nietzsche (1844-1900) uit de ‘Götzendämmerung’?: Alles Gute ist Instinkt und folglich, leicht, notwendig frei. Nietzsche de nihilist is een ongenadig denker, die geen spaan heel laat van de valse moraal die de mens zich heeft toegeëigend om zijn beestachtigheid te verhullen. Misschien is de analyse die Paul Woodruff maakt in ‘Het Ajax-dilemma. Filosofie van het leiderschap’[2] een bron die we kunnen gebruiken, om een vorm van leiderschap te laten zien die ons verheft uit het moeras van het sociaal darwinisme. Hij analyseert wat er gebeurt tijdens de Trojaanse oorlog als de legendarische soldaat van het Griekse leger Ajax, in een waanzinnige woede ontsteekt, omdat de leider van het leger Agamemnon hem niet beloont voor zijn inzet. Niet Ajax krijgt de wapenuitrusting van Achilles die was omgekomen in de strijd, maar de leiders geven die aan Odysseus. Odysseus is de slimme soldaat die de geniale list bedenkt om een houten paard te bouwen en daarin krijgers te verstoppen,. Ajax is de loyale reus en fysieke geweldenaar die op het slagveld een onuitwisbare indruk nalaat.

Ajax voelt zich onrechtvaardig behandeld. Het leiderschap van Agamemnon heeft volgens hem gefaald. Rechtvaardigheid zorgt ervoor dat iedereen krijgt wat hem toekomt en de gemeenschap als geheel krijgt wat haar toekomt zodat de gemeenschap bij elkaar wordt gehouden. Als er meningsverschillen ontstaan, beslecht rechtvaardigheid die conflicten. Zij zorgt ervoor dat er recht wordt gedaan ook in die gevallen dat we het gevoel hebben dat het recht ons buitensluit. Dat gevoel heeft Ajax. Hij voelt zich buitengesloten omdat hij niet beloond is voor zijn ongelofelijke slagkracht op het slagveld. Rechtvaardigheid is dus niet het blind volgen van rechtsregels of een instrumentele vorm van eerlijkheid. Rechtvaardigheid is een radicaal mededogen dat de leider en zijn leiderschap opdiept uit het diepst van zijn ziel.

De onrechtvaardigheid die Ajax ervaart maakt hem zo woedend dat hij zijn leider Agamemnon en zijn rivaal Odysseus wil doden. Maar de woede verbijstert zijn verstand en hij slacht een kudde schapen af. Als hij weer bij zinnen komt, schaamt hij zich zo diep dat hij zich in zijn eigen zwaard stort. Door dat te doen heeft hij volgens Agamemnon de Grieken tot schande gemaakt en hun eer bezoedeld. Voor straf mag hij niet begraven worden en is hij ten prooi aan de gieren. Odysseus heeft teveel respect voor zijn strijdmakker om dat te laten gebeuren. Hij overtuigt Agamemnon ervan om Ajax toch te mogen begraven, ondanks het feit dat Ajax geprobeerd heeft Odysseus te vermoorden. Zijn mededogen toont hem als een groter leider dan zijn generaal Agamemnon, die over allerlei adviseurs (Nestor) beschikt die hem influisteren wat ‘rechtens’ moet gebeuren. Maar een goed oordeel is niet procedureel, uitkomst van een formule of een algoritmische berekening. Een goed oordeel getuigt van leiderschap en een goed leider rechtvaardigt zijn oordeel vanuit zijn persoonlijk geweten dat gevoed wordt door mededogen en wijsheid.

Een leider die handelt vanuit wijsheid, geweten en mededogen wordt gevolgd. Er wordt naar hem geluisterd. Hij is niet uit op zijn eigen gewin maar heeft oog voor het gemeenschappelijk doel dat hij nastreeft. Als dat doel verlangt dat hij niet langer de leider is dan kent hij zijn verantwoordelijkheid, treedt hij terug en bewijst zijn ware leiderschap. Want een leider is niet bang om het risico aan te gaan dat hij faalt als dat nodig is voor het gemeenschappelijke belang. Hij mag dan in dat specifiek geval de zaak niet goed gemanaged hebben, waardoor hij buitenspel komt te staan, maar als leider heeft hij gewetensvol geoordeeld. Hij kan zich ook terugtrekken en zich ontpoppen als een goede volgeling die de leider kritisch gehoorzaamt en hem helpt het gemeenschappelijk doel te bereiken.

In het bovenstaande gaat het om de filosofische idee en de ethische standaard voor leiderschap. In de ideale leider verenigen de fysieke kracht van Ajax en de denkkracht van Odysseus zich en is het dilemma opgeheven. Dat is wat volgens Woodruff de oude tragedie dichter Sophocles in zijn tragedie ‘Aias’ ons en zijn publiek voorhoudt. De fysieke moed van Ajax en de mentale moed van Odysseus grondvesten het morele leiderschap. Rechtvaardigheid zorgt ervoor dat iedereen krijgt wat hem toekomt en naar vermogen aan de gemeenschap bijdraagt. Rechtvaardigheid is eerlijk als ze eerlijk kan zijn, rechtvaardigheid zoekt consensus als er consensus kan zijn, rechtvaardigheid is transparant als ze transparant kan zijn. Maar voor dat alles zoekt rechtvaardigheid naar het juiste inzicht en oordeelt met mededogen. In die zin is rechtvaardigheid leiderschap bij uitstek.

Kan de ethologische analyse van de macht die Frans de Waal ons heeft voorgeschoteld nu als achterhaald worden beschouwd? Ik zou zeggen van niet. Maar het ethische ideaal van Woodruff biedt misschien een perspectief om een humanistische breuk met het sociaal darwinisme te forceren. Over termijnen laat ik mij wijselijk niet uit.

 

 

[1] Frans de Waal, ‘Chimpanseepolitiek’. 1982, vert. 2017 pag 248-249

[2] Paul Woodruff ‘Het Ajax Dilemma’ vert. 2017. The Ajax Dilemma: Justice Fairness and Rewards. 2011