De mens als bedreigd cultuurwezen

door Denkerij®

De huidige samenleving bevindt zich in een ogenschijnlijk doodlopende steeg. De cultuur die wij hebben ontwikkeld is voor een groot deel grondig vervreemdend gebleken. We voelen ons niet meer behaaglijk. De snelheid waarmee de realiteit en het leven veranderen, is voor velen niet meer bij te houden. De veranderingen overheersen en veel mensen komen daardoor tot stilstand. We voelen het onbehagen. We zijn niet meer veilig. Er is dreiging en angst omdat er teveel vreemdheid om ons heen is. De beschermende cultuur herkennen we niet meer. We worden teruggeworpen op een natuurtoestand waarin de mens een kwetsbaar en bedreigd schepsel is. We hebben ons als cultuurwezen; als ‘homo sapiens’ nu juist ontwikkeld om de natuur te beheersen, zodat we kunnen overleven.

Sigmund Freud (1856-1939) schrijft in 1930 een beschouwing over de cultuur en de mens als cultuurwezen: ‘Das unbehagen in der Kultur’. Fischer 2009 Het essay presenteert een cultuurbegrip dat is afgeleid uit zijn psychoanalytisch denken over de mens, dat Freud als wetenschappelijk beschouwt. In hoeverre dit denken nog standhoudt binnen het hedendaagse wetenschappelijk denken dat streng empirisch en reductionistisch is, laat ik even buiten beschouwing. In ieder geval is het denken van Freud een heel goed verhaal, dat verwijst naar de wezenskenmerken die het menselijk gedrag bepalen. De uitspraak dat het denken van Freud allemaal ‘bullshit’ is, mag opgang doen in het behaviorisme maar in de humanistische psychologie staat de waarde ervan nog buiten kijf.

De mens is een driftwezen. De drijfveren en het instinct van de mens zijn het resultaat van een miljoenen jaren durende evolutie. Hoewel hij een van de dieren is waarvan het aanpassingsvermogen misschien het best ontwikkeld is en zijn ‘survival of the fittest’ als bijzonder geslaagd kan worden beschouwd, blijven zijn driften een wezenskenmerk van zijn constitutie. De mens heeft heel lang ongeremd zijn instincten kunnen volgen en zich pas sinds pakweg 40.000 jaar cultureel ontwikkeld. In zoverre hij zijn cultuur geïncorporeerd heeft, treffen we in hem een voorlopig onopgeloste tegenspraak aan; de mens als natuurwezen én als cultuurwezen.

De cultuur is gaandeweg het verdedigingsmechanisme van de ‘homo sapiens’ tegen de natuur geworden. In een steeds hoger tempo heeft de mens zijn technische hulpmiddelen geperfectioneerd waardoor de hem bedreigende natuurkrachten grotendeels zijn getemd. Maar ook in het sociale domein heeft hij allerlei cultuurvoorwaarden ontwikkeld om een leefbare samenleving mogelijk te maken. Veel van die voorwaarden hebben zich echter ontpopt als onderdrukkingsmechanismen van de natuurlijke driften. Er zijn allerlei verboden en geboden die het sociale gedrag moeten reguleren. Ze zijn vastgelegd in culturele instituties en riten om de driften te onderdrukken, die het sociale verkeer zouden kunnen frustreren. Ongebreideld gedrag en de daaraan gekoppelde geluksgevoelens moeten worden getemperd. De cultuur mens ontwikkelt schuldgevoelens om hem in het gareel te houden en betaalt daarmee de prijs voor de vooruitgang in een geordende samenleving. Zijn reproductieproces in brede zin wordt ingeperkt door een sociaal systeem waarin seksualiteit ingekaderd wordt in gesanctioneerde samenlevingsvormen. Het is duidelijk: “…dass [die heutige Kultur] die Sexualität als selbstständige Lustquelle nicht mag.“ Andere primaire behoeftes zoals voeding, kleding, beschutting, worden door de culturele ontwikkeling en door georganiseerde arbeid ingekaderd. Zo berust het leven van de mens steeds meer op arbeidsdwang en driftonderdrukking.

In zijn beroemde indeling van de menselijke psyché in het ‘Es’ (onbewust-driftleven), het ‘Ich’ (bewuste denken) en het ‘Über-ich’ (het geweten), geeft Freud aan dat het ‘Es’ en het ‘Über-ich’ dwingend met elkaar verknoopt zijn. Als drager van de culturele tradities en de daaraan gekoppelde geboden en verboden is het ‘Über-ich’ onlosmakelijk verbonden met het ‘Es’ als drager van het driftleven. De moderne neurotische mens is een uitdrukking van het voortdurende conflict wat zich tussen beide zijnsinstanties afspeelt. Hij kan zijn tekortkomingen ten opzichte van de eisen van de culturele idealen niet langer aan. Dat maakt hem ziek. De lusten zoals seksualiteit en agressie worden in toom gehouden door het schuldgevoel dat in het ‘Über-ich’ zetelt als geweten. Freud geeft in zijn essay een uitgebreide ontwikkelingsgeschiedenis van het schuldgevoel en het geweten. In die analyse geeft hij ook aan dat de oorsprong van het geluksgevoel van de mens in een ongeremd driftleven ligt. Het najagen van perverse impulsen en het toegeven aan prikkels om het verbodene te doen, geven een bevrediging die de getemde lust ver overtreft. De instinctmatig gereguleerde lustbevrediging is van nature geïncorporeerd in zijn wezen. Dat de mens in zijn pre-cultureel bestaan gelukkiger is geweest, daar gaat ook Freud niet vanuit, getuige dit citaat: “…der Absicht, dass der Mensch ‘glücklich‘ sei, ist im Plan der Schöpfung nicht enthalten.“

In ieder geval moeten we er in de cultuuranalyse ernstig rekening mee houden dat onze door driften gestuurde passies sterker zijn dan de door ons gecreëerde redelijke belangen. Er is een onverzoenlijke tegenstelling tussen wie we van nature zijn en het met rede begiftigde cultuurwezen. Het cultuurtraject dat we bewandeld hebben, heeft ons geleerd om zuiverheid en orde tot wezenskenmerken te verheffen van onze nuttigheidscultuur. We gaan tot het uiterste om onszelf die culturele wezenskenmerken op te leggen. De machtsuitoefening van ons cultuursysteem is meedogenloos bij overtreding, terwijl we van nature neigen naar nalatigheid, onregelmatigheid, onbetrouwbaarheid en gesjoemel. Deze tegenstelling houdt ons gevangen. Onze pogingen om hoogwaardige uitdrukkingen van de menselijke geest (Hegel’s ‘absolute Geist’) te ontwikkelen in religie, kunst, wetenschap en filosofie blijken onvoldoende. De sublimering is ontoereikend om met name de agressiedrift in toom te houden. Bovendien is het maar aan een kleine elite gegeven dit proces van sublimering waar te maken. Het projecteren en verschuiven van de lustbevrediging naar een hoger psychisch handelen in kunst, wetenschap en ideologie, lijkt deze elite een bijzondere positie te geven. Ze zouden zich losgemaakt hebben van hun begeerten. De werkelijkheid leert ehter anders. Het is niet toevallig dat bij dat verheven deel van de mensheid de meeste neurotische klachten voorkomen en dat daar soms ongekend geniepige strategieën worden gehanteerd om de driften alsnog bot te vieren. De cultuur veronachtzaamt in hoge mate de kracht van het driftleven. Ze slokt veel van de psychische energie op en vervormt en vervreemdt de directe bevrediging van de driftimpulsen.

De knechting door de cultuur leidt tot onbehagen. De mens voelt zich gefrustreerd en onvoldoende gecompenseerd door zijn welvaart, blingbling, consumentisme, geld en de hogere culturele bevredigingservaringen. Het onbehagen duikt massief op in de huidige cultuur. Het populisme lijkt een uitdrukking van diepgevoelde onvrede met de werkelijkheid, omdat zoals Freud het noemt: het ‘Realitätsprinzip’ en het ‘Lustprinzip’ volledig uit balans zijn. De samenleving lijdt onder zijn neuroses.

Gebaseerd op onder andere het essay van Freud heeft Bas Heijne columnist van de NRC en winnaar van de P.C. Hooft-prijs voor de essayistiek een beschouwing geschreven, die ook het onbehagen in de huidige samenleving tot onderwerp heeft: “Onbehagen, nieuw licht op de beschaafde mens.” Ambo/Anthos 2016. Hij start zijn kritiek vanuit een ander perspectief dan Freud maar komt later weer op hem terug. Heijne geeft aan dat het humanistisch ideaal van de Verlichting zijn Waterloo heeft gevonden. Het daarin beleden vooruitgangsgeloof heeft in materieel opzicht veel gebracht. Alle noden van de moderne mens in de westerse wereld zijn gelenigd waar het zijn primaire behoeften betreft. Maar zijn ervaring en beleving als subject en persoon staan onder zware druk. Zijn bestaan raakt geobjectiveerd. Zijn waarde als mens lijdt onder de kwantificering van zijn identiteit. Hij herkent zich niet meer in wetenschappelijke statistieken, die uitspraken over hem doen in een niet aflatende stroom van grafieken en statistische vergelijkingen. Het verwetenschappelijkte mensbeeld maakt hem van subject tot object. Bovendien begrijpt hij niet waar ze het over hebben als de zoveelste hersenprofessor op TV zegt dat de mens niets over zichzelf te vertellen heeft en dat zijn brein wel bepaalt wat goed voor hem is. Vrije wil exit, persoon exit. De hele overweldigende empirie van hersenfeiten ontbreekt het nog aan iedere betekenis gevende context. Die feiten zijn koude getallen zonder het verhaal dat betekenis moet geven aan een ieders subjectief ervaren bestaan. In de belevingswereld waarin het lustprincipe de scepter zwaait, wordt een behoefte pas bevredigd als de bevrediging overeenstemt met mijn wensgedachte.

Men kan zich afvragen of we niet te verwend zijn. Als we de werkelijkheid niet aan kunnen, moeten we dan macht verwerven over die realiteit en onze agressiedrift ruim baan geven om haar aan diggelen te slaan of moeten we de feiten vervangen door de door ons gewenste feiten? De agressiedrift en woede die opgesloten zit in de verstoring van het werkelijkheidsbeeld is inzichtelijk en navoelbaar. De werkelijkheid is ook vaak niet te verdragen. De manier waarop de samenleving wordt bestuurd door een volledig gerationaliseerde bureaucratie is zwaar intimiderend voor de gemiddelde burger. De overheid vertoont tirannieke trekken in het gebruik van zijn machtsmiddelen. Bovendien is ze niet meer aanspreekbaar maar versteend geraakt in websites en algoritmes. Vadertje Staat is verworden tot een digitaal monster dat zijn autocratisch regiem oplegt aan zijn kinderen; de burgers. De vadermoord roept zichzelf af. Beter verweesd dan zonder eigen identiteit, vrijheid en autonomie.

Het precariaat (een samenvoeging van de woorden precair en proletariaat om de economische onzekerheid van de lagere middenklasse aan te duiden) dreigt steeds groter te worden terwijl macht en middelen in handen zijn van een steeds kleinere groep. De groep die het precariaat bewoont, mist zekerheid en inkomen om voor zichzelf een positieve vrijheid (Isaiah Berlin) te waarborgen en groeit exponentieel. De burger is – om met Bas Heijne te spreken – geen klant die politiek en commercieel mag worden gemanipuleerd en uitgebuit. [1] De burger vraagt slechts om een ‘fair share’. Daarvoor moet de realiteit worden hervormd in overeenstemming met de gerechtvaardigde wensen van het precariaat. Deze omwenteling zal zich niet geruisloos voltrekken omdat er al teveel agressie is opgewekt, tenzij we een nieuwe betekenisvolle mythe kunnen formuleren. Lukt dit niet, blijft er alleen het apocalyptisch verhaal van een massale zelfdestructie over. De mythe of het verhaal moet betekenis geven aan de reducerende naakte feiten van de wetenschap. Pas als het brein weer mijn brein wordt, dat mijn persoonlijkheid vestigt en fundeert, verdraag ik de realiteit van die bundel neuronen en synapsen weer. Worden we gestuurd of sturen we zelf? Zijn wij ons bewustzijn of louter functie van hersenprocessen? Kunnen we ons brein zien zoals we de wereld zien of kan het brein alleen en zonder bewustzijn zichzelf zien? Communiceert het brein alleen met zichzelf of is er een wetenschappelijk nog ongedefinieerd bewustzijn dat zelf een communicerende instantie is? De nieuwe mythe, het nieuwe verhaal moet ook aan deze brein-bewustzijn paradox betekenis en duiding geven.[2]

 

[1] O.c. pagina 70

[2] idem

Advertenties