Overleeft de nationale democratie?

door Denkerij®

De sterfhuisconstructie van de nationale democratie

De Westerse landen zijn nationale staten die worden bestuurd door een democratisch stelsel. Er zijn eens in de zoveel tijd verkiezingen om een vertegenwoordiger te kiezen die namens jou het staatsapparaat controleert. Bovendien kan die gekozene wetten indienen. Op die manier oefenen we macht uit op de samenleving en de omgeving waarin ons leven zich voltrekt. In de laatste vijftig jaar is er veel veranderd, waarop we nauwelijks invloed hebben gehad. In een redelijk kleinschalig land als Nederland was het mogelijk politiek en bestuur te volgen en de indruk te hebben dat jij als kiezer er toe doet. Naarmate die samenleving groter wordt – denk aan de EU en de globalisering van de economie – neemt die invloed exponentieel af en die van de bestuurders, internationale handel en financiële economie in dezelfde mate toe. De nationale democratische invloed wordt zo dun, dat het de vraag is of die nog werkt. Toch bewegen die democratieën zich in een bepaalde richting. Een van de belangrijkste bepalende factoren daarin, is het reilen en zeilen van de mondiale economie: zowel de handelseconomie als de financiële economie. Wat de feitelijke macht uitoefent, is de globalisering. Het 19e eeuwse idee dat een nationale staat zelf bepaalt hoe de samenleving zou moeten zijn ingericht, lijkt achterhaald. Hoe moeten we uit die sterfhuisconstructie de levensvatbare onderdelen redden?

De wil van het volk

De vraag is dus of het volk – de demos, van democratie – waarvan de wil wet is, nog de machtsbepalende factor is in de globaliserende wereld. Het lijkt mij overduidelijk dat welvaart en welzijn van het volk niet in hoofdzaak wordt bepaald door het volk, in een nationaal democratisch proces. Dit wil niet zeggen dat er geen rekening wordt gehouden met het wel en wee van de burgers in een samenleving. De bestuurders van de nationale staten begrijpen heel goed dat de sociale vrede moet worden bewaard. De revenuen van het Bruto Nationaal Product worden in zekere mate verdeeld over de bewoners van een economische gemeenschap. De (wan)verhouding waarin dat gebeurt, staat de laatste tijd volop in de schijnwerpers. Stel dat je het niet eens bent met de mate van verdeling. Heb je dan nog de kans om met behulp van je nationale democratische stem, invloed uit te oefenen? Kun je de verdelingsverhouding beïnvloeden of zijn er machten en krachten die veel bepalender zijn voor die verdeling dan dat jouw democratische stem ooit kan bepalen? Is het principe van de macht aan het volk een illusie gebleken en daarmee 2500 jaar democratische geschiedenis? Althans 2500 jaar geleden waren er al democratieën voor kortere of langere tijd. Ze waren geen lang leven beschoren. De nationale democratieën van de laatste ca. 100 jaar hebben braaf een formeel stelsel ontwikkeld waarin iedereen zijn stem kan laten horen. Betekent dat nu ook dat de wil van het volk inhoudelijk gestalte heeft gekregen?

Sociale rechtvaardigheid als democratisch principe

Als we kijken naar het principe van sociale rechtvaardigheid en een daaruit resulterende verdeling dan wordt dat bijna door iedereen in de burgerlijke samenleving onderschreven. Totdat de aanspraak op mijn bezittingen in twijfel wordt getrokken. Het instinct dat het verwerven van bezit resulteert in een onvervreemdbare aanspraak daarop, is veel krachtiger dan het rechtvaardigheidsprincipe. De ondemocratische krachten die meritocratie, tirannie, oligarchie en plutocratie losmaken zijn van een orde die de wil tot macht absoluut maken. Elke moraliteit en ethiek legt het daar tegen af. Het democratisch circus rondom sociale rechtvaardigheid verandert daar weinig of niets aan. De economische opbrengsten komen toe aan degene met de meeste macht: of de staatsvorm nu een democratie, dictatuur of een mengvorm van staatsbestuur betreft. De financiële instituten, de dealingrooms, de BlackRocks en de oligarchen bepalen hoe de wereldeconomie draait en wie daar van profiteert. In de nationale begrotingen zijn de bedragen voor bijvoorbeeld sociale voorzieningen en herverdeling steeds meer afhankelijk van het concurrentievermogen van de nationale staat in een globalistische economie. Bezuinigingen op sociale kosten maken de concurrentiekracht groter, laten het BNP groeien en vergroten de winstvoet. Het neoliberale procedé.

Het keuzemenu van Rodrik

Moeten onze ideeën over democratie op de schop? Moeten we onze ideologische veren afschudden over een samenleving die autonoom bepaalt hoe ze wil zijn ingericht? Is de burgerlijke revolutie van de 19e eeuw achterhaald en bestaat er in de globalistische wereld geen Bastille meer waar we naar kunnen optrekken? De econoom Dani Rodrik heeft in zijn werk ‘de Globaliseringsparadox’ (2011, 2015) de stelling geponeerd die in onderstaand citaat wordt uitgedrukt:

“Zo hebben we een keuzemenu om de wereldeconomie op andere leest te schoeien. In dit menu is het politieke trilemma van de wereldeconomie vervat: hyperglobalisering, democratie en nationale zelfbeschikking. Alle drie tegelijk kan niet, hoogstens twee van de drie. Als we kiezen voor hyperglobalisering en democratie, moeten we de natiestaat opgeven. Als we de natiestaat willen behouden en ook hyperglobalisering willen, moeten we afzien van democratie. Als we democratie willen combineren met de natiestaat, moeten we afscheid nemen van verregaande globalisering.”

We kunnen het dus niet allemaal hebben. Stel dat we de democratie willen redden, moeten we dan niet anders gaan aankijken tegen de aard van die democratie?

Democratie 2.0

Is het allemaal zo grijs of is er toch ruimte voor ideologie? Democratieën werken immers wel en een rechtvaardige verdeling is ook het resultaat van een politiek proces. De aard van dat politiek proces is misschien veel minder formeel. Het is veel meer de onderhuidse werking van de ‘open society’, waar in een voortdurende dialoog stapsgewijs (piecemeal) een samenleving wordt gebouwd (engineering). Ideeën over de inrichting zijn in een strijd met elkaar verwikkeld en bepalen zo het proces dat leidt tot verbetering van welvaart en welzijn van die samenleving. Onze wil tot autonome bepaling van onze samenleving, is niet vrij. Er zijn ook autonome, sympathische processen, die los van onze bewuste gezamenlijke wil, van invloed zijn op ons staatshuishouden, globaal, nationaal of lokaal. Het onbewuste verbeterproces resulteert in een geconcretiseerde sociale rechtvaardigheid. Het is ontegenzeggelijk en statistisch duidelijk aanwijsbaar, dat de welvaart de laatste honderd jaar enorm is toegenomen op alle gebieden. We zijn met z’n allen veel rijker geworden, we leven langer, hebben betere zorg, er komen minder mensen om door oorlog en een gebrek aan veiligheid, de wereldbevolking groeit enorm en we kunnen een grote directe macht uitoefenen via de moderne media. Dat alles is ontstaan zonder veel directe sturing door welk bestuursorgaan dan ook. Het is echter wel voortgekomen uit de inspanningen van het organisme mens. Die inspanningen zijn dan een cocktail van bewuste handelingen en keuzes, maar ook van drijfveren die zich daaraan onttrekken.

Nationale staat exit

Moeten we ons nu overgeven aan de krachten en machten die buiten ons democratisch stelsel bepalend zijn voor onze samenleving? Voorlopig nog maar niet, zou ik zeggen. Ons politieke discours en al onze acts in het democratisch circus staan wel degelijk in wisselwerking met het schip van staat dat door ons allemaal wordt bestuurd. In de globalistische samenleving is het schip intussen wel gigantisch van omvang en daardoor veel moeilijker beheersbaar (het kratein van democratie) geworden. Als het trilemma van Rodrik voorschrijft iets op te geven, kies ik toch maar voor het opgeven van de nationale staat. Hoe de democratie moet gaan werken in een globale wereld en economie weet ik nog niet. Het is zaak dat we daarvoor een oplossing vinden en een wetten stellend kader ontwikkelen dat onze sociale rechtvaardigheidsprincipes kan redden.

Advertenties