Spiritualiteit onthuld

door Denkerij®

In ons alledaagse taalgebruik zien we spiritualiteit (spiro: ik adem) vaak als adem voor onze geest zoals zuurstof adem is voor ons lichaam. Dat wij een geestelijk of spiritueel leven hebben of dat het een onderscheidende instantie is ten opzichte van ons biologisch of lichamelijk leven, veronderstellen we als gegeven. In het onderstaande doe ik een poging om het ‘feit’ van de spiritualiteit kritisch te onderzoeken. Het lijkt mij op voorhand zeer de vraag of wij een daadwerkelijke spirituele dimensie binnen ons bestaan, als gegeven kunnen aannemen.

De spirituele traditie

In ons alledaags zelfbegrip en in de manier waarop we ons uiten over onszelf zijn we echter ontegenzeggelijk spiritueel. De traditie van de menselijke cultuur laat ons ook weinig keuze. Vanaf het begin van die cultuur vinden we artefacten en later geschriften die overduidelijk verwijzen naar een bezielde werkelijkheid. De animistische interpretatie van onze leefwereld laat ons al onze zintuigelijke waarnemingen tegelijk ook ervaren als waarneming van het niet-zintuigelijke. De boom is even goed bezield als de voorouder of de totem van de stam.  Het geestelijk aspect van het waargenomene wordt niet betwijfeld. In de interpretatie-geschiedenis verzelfstandigt de bezielde dimensie zich langzamerhand. Het worden goden die allerlei gedaantes en vormen aannemen. Vanuit hun goddelijke status werken ze normerend als gebod, op het leven en handelen van mensengemeenschappen. Het ratjetoe aan goden waaraan de mens zich onderwerpt, krijgt vanuit de orale traditie zo’n grote verscheidenheid, dat het voor de normale mens een niet te ontwarren kluwen wordt. Doordat het schrift zich snel ontwikkelt, ontstaat er een verschuiving. De hogepriesters van voornamelijk de joods-christelijke cultuur, deels gevoed door de Griekse filosofie, verdichten de paradoxale polymorfe godenwereld tot een overzichtelijke monotheïstische religie. Er is één God en die heeft 10 geboden uitgevaardigd die de menselijke samenleving moeten reguleren. Het wordt allemaal op schrift gesteld in heilige boeken waarin de goddelijke inspiratie is gestold. De goddelijke geest is de oorsprong van het leven en door het door hem uitgesproken Woord (logos), wordt de schepping ingeblazen of bezield (inspirare). De bezieling die aanvankelijk de hele schepping toekomt wordt door de Schriftgeleerden ingedikt tot een kenmerk dat uitsluitend tot het voorrecht van de mens behoort. Hij is het enige wezen dat bezield is en dus een spiritueel of geestelijk leven kan leiden.

Geest en lichaam

Deze historie – naar evolutionaire maatstaven één uur oud – heeft in die korte tijd onze ‘brainmaps’ zodanig gevormd, dat ons collectief bewustzijn er bijna helemaal door wordt bepaald. We zijn nagenoeg geketend aan het besef dat er naast een lichaam ook een geest is, die dat lichaam van een ‘persona’ voorziet. De extra laag van de persoonlijke identiteit bepaalt ook grotendeels het menselijk handelen. Deze massieve ervaring van ons ‘zelf’ als ziel of geest, die ‘huist’ in ons bewustzijn en zelfbewustzijn, is in de ideeëngeschiedenis lang overeind gebleven.

In de 17e eeuw doorklieft René Descartes echter de eenheid van geest en lichaam. Hij scheidt ze van elkaar als twee op zichzelf staande substanties: de ‘res extensa’ en de ‘res cogitans’; de werkelijkheid van de uitgebreidheid en de werkelijkheid van het denken. De beide substanties hebben om te ‘zijn’ niets anders nodig dan zichzelf. Vóór dit dualisme van Descartes is alles uitdrukking van de goddelijke Geest, zeker in het door Plato geïnspireerde Christendom. De weg naar God is te vinden door zijn sporen te volgen in de zintuigelijke werkelijkheid, die door hem is geïnspireerd en waarin hij is weerspiegeld (Bonaventura: ‘Itinerarium mentis in Deum’). In het Duits idealisme van Immanuel Kant en GWF Hegel vinden we dit nog terug. Zeker bij Hegel waar alle geest (logos) werkelijk is en al het werkelijke geest.

Dualisme

Door Descartes is dus een ommekeer in onze werkelijkheidsopvatting ontstaan. We hebben ons moderne leven er aan te danken, of negatief gezien; we zijn er door van onze spirituele werkelijkheid vervreemd. De moderne dualistische wetenschap die na Descartes door zijn methodisch denken (‘Discours de la méthode’) is begonnen, laat weinig ruimte voor een door spiritualiteit gedragen werkelijkheid. De werkelijkheid wordt sindsdien steeds wetenschappelijker en gereduceerd tot een materiële werkelijkheid (res extensa) die meetbaar moet zijn, wil ze aanspraak kunnen maken op waarheid. Geloof in een goddelijke werkelijkheid raakt snel passé voor de denkende elite. De natuurwetenschappen ontdekken de wetmatigheid van de materiële werkelijkheid en kunnen haar met behulp van de mathematica steeds adequater beschrijven. Algemeen geldende valwetten in de driedimensionale ruimte en later in de vierdimensionale gekromde ruimte, bepalen bijvoorbeeld wat waar is in de materiële werkelijkheid. De wereld van onze directe zintuigelijke ervaring wordt heel klein, terwijl zij toch onze directe alledaagse beleving vormt.

Non-dualisme

Volgens sommige denkers heeft René Descartes zich ernstig vergist en is de mens fundamenteel non-dualistisch. Antonio Damasio schreef bijna 25 jaar geleden daarover al zijn bestseller ‘De vergissing van Descartes’. Al onze denk(brein)processen, emotionele processen, gevoelservaringen en lichamelijke functies vinden zich verenigd in één non-duale biologische werkelijkheid; de mens. De primaire ervaring van dat ‘geheel’ als een zelf, dat niet-reduceerbaar is tot een onderdeel zoals dé hersenen, dé emotie, hét verstand, hét gevoel, dé vrije wil of hét zelfbewustzijn, maar altijd de continuïteit van dat als zelf ervaren ‘geheel’ is. Deze visie is weliswaar nieuw maar brengt niet onmiddellijk de pré-Cartesiaanse spiritualiteit terug. De mens mag dan niet een louter materiële machine zijn, maar hij is ook niet meer opgenomen in een geest waarvan hij de uitdrukking is. De religieuze spiritualiteit en het mysterie van het geopenbaarde geloof, raken ontluisterd. Wat eerder het onverklaarbare deel van de werkelijkheid was wordt langzamerhand door het wetenschappelijke wereldbeeld geprofaneerd of geseculariseerd (Giorgio Agamben). Het ongrijpbare, spirituele en sacrale binnen de werkelijkheidservaring is verdrongen door een overrompelende lust om te kennen.

De ziel

In zijn essay ‘Waar blijft de Zie?l’ verzet Bert Keizer zich tegen de neurosofen. Het verklaringsmodel voor het menselijke handelen is door velen van hen volledig geobjectiveerd en de menselijke wil, geest of ziel is teruggebracht tot een hersenfunctie. Ze krijgen veel bijval. Keizer laat zien dat er wel wat meer voor nodig is om die kenmerken van de mens uit te wissen. Geestelijk leven bestaat uit een ‘drieëenheid’. Naast het brein of de hersenen, heb je het lichaam als geheel en ook de wereld nodig om te kunnen spreken van bewustzijn of geest. Het subject ingebed in zijn wereld en daar een ongedeeld geheel mee vormend is de non-duale locatie van het bewustzijn, ziel of geest. Is die voorwaarde vervuld dan pas kan onze ‘beleving’ van smaak, pijn, angst, honger, vreugde, kleur, of heimwee optreden. [1] Het fenomeen geest of ziel verschijnt niet als object vóór het brein maar pas in de act van het verschijnen van pijn, angst vreugde. Het is geen object waar een waarnemer tegenover kan worden geplaatst. Complexe systemen hebben emergente eigenschappen die zich pas voordoen in de interactie van het verschijningsproces en niet altijd aan de dezelfde kenmerken voldoen. Een glimlach is de uitdrukking van een beleving die een niet te reduceren act is van de ‘ziel’.

Ontmythologiseren

We kunnen moeilijk aanvaarden dat we geen mythische dimensie meer aan ons bestaan kunnen toevoegen, die het verhaal vertelt van wie we zijn en waarom we zijn binnen een betekenisperspectief. Kunnen we dat verhaal, dat in alle religies ingebakken zit, niet ontmythologiseren en het betekenisperspectief en de zingeving zoeken buiten de illusie van de mythe of de religie? Als we de religie en spiritualiteit zouden moeten afleggen, dan hoeven we zeker niet tegelijkertijd haar waardes te verstoten. Kernbegrippen ervan zoals zachtmoedigheid, lijden, offeren, medemenselijkheid, gelijkwaardigheid, toewijding, empathie, enzovoort kunnen ook bestaan als deugden in een profane of seculiere samenleving, niet opgelegd door een elite van hogepriesters, imams, monniken, sjamanen, rabbi’s, dominees of anderen die doctrines uitvaardigen. Voor deze deugden kunnen mensen in vrijheid kiezen en ze waar maken in een praktisch moreel levensproject. Het project is weliswaar een struikelpad dat metafoor is voor de ambivalentie die het menselijk handelen kenmerkt. Die ambivalentie drukt zich uit in ons handelen dat enerzijds wordt gedreven door het immoreel lustprincipe en anderzijds gebonden is aan het normerend realiteitsprincipe van de samenleving. Het hinderlijke en angstaanjagende hierbij is dat we als mens wel heel erg veel verantwoordelijkheid opgelegd krijgen als we dat allemaal zelf moeten waarmaken. Je kunt beter ondergedompeld zijn in rituelen die je inwijden in het goed handelen, dan steeds te worden aangesproken op je verantwoordelijkheid voor je eigen handelen.

Is de spirituele dimensie van ons bestaan nu  zoals het bestaan van God tot weinig of niets teruggebracht? Ja, als je spiritualiteit ziet als iets dat verticaal is gestructureerd. Nee, als je spiritualiteit opvat als een horizontale dimensie die tot zijn recht komt in de deugden ethiek van het praktisch moreel levensproject van de verantwoordelijke mens.

[1] O.c. 2014 pagina 138

Advertenties