Waarheid en kunst

Een kunstwerk hoeft niet per definitie als mooi te worden ervaren om de titel kunst te krijgen. De schoonheidservaring is ondergeschikt om iets tot kunst te maken. Kunst moet wel een ervaring opleveren. Die kan puur zintuiglijk zijn. Je ziet of hoort iets en je vindt het direct mooi of lelijk. Maar die ervaring kan je ook aan het denken zetten. Door er over na te denken, verbind je wat je ziet of hoort met andere ervaringen en ontstaat er een verhaal. Je kunstervaring van dit moment wordt uitgebreid naar alle beelden, gevoelens en emoties van wat je al eerder hebt ervaren. Zo’n verhaal ontroert, maakt je blij, stemt droevig of geeft je nieuwe inzichten. De meest krachtige kunstervaring in het nadenken over de betekenis van een kunstwerk, is het inzicht dat het kunstwerk niet alleen oorspronkelijk en authentiek is maar ook de uitdrukking van waarheid.

De oorsprong van het kunstwerk

Martin Heidegger (1889-1976) heeft in verschillende versies een essay geschreven dat in het Nederlands is vertaald als: ‘De oorsprong van het kunstwerk’. Daarin benadert hij van verschillende kanten het verschijnsel kunstwerk. Een sprekend voorbeeld dat hij analyseert zijn de ‘Boerenschoenen’  van Vincent van Gogh, die waarschijnlijk gewone werkschoenen waren.

Schoenen’ Parijs, september-november 1886 Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Bij Heidegger staat in zijn denken voorop dat de werkelijkheid of wereld  wordt gevormd door wat hij ‘zijn’ noemt. Zijn hele filosofie is een analyse van dat ‘zijn’. De zijnsvraag bij uitstek is de vraag naar het wezen van ‘zijn’. Onontkoombaar daarbij is het inzicht dat het ‘zijn’ ‘weest’. Alles wat als fenomeen aan ons verschijnt, doet dat binnen de horizon van de tijd. In het verschijnen van ‘zijn’ gebeurt het, verandert het en vestigt het z’n geschiedenis.  ‘Zijn’ is een proces waarin ‘zijnden’ tevoorschijn komen. Onze werkelijkheid of wereld articuleert zich vanuit ‘zijn’ dat in die articulatie zijn wezen als waarheid toont en in die zin ‘weest’.

Het kunstwerk als verhaal

Deze nano-samenvatting van ‘Sein und Zeit’ (1927) heb ik enigszins nodig als ik verder wil met het verhaal over het kunstwerk. Wat Vincent van Gogh schildert is zeker meer dan een object dat als stilleven een weergave is van een toevallig paar ‘werkschoenen’. De schoenen zijn gemaakt door een schoenmaker, een  vakman die leer heeft bewerkt en gevormd om als voetbekleding dienst te doen in werkomstandigheden. In die zin zijn de schoenen werktuig. Als tuig beschrijft Heidegger ze ook. Ze zijn tuig (tuig-zijn) omdat ze dienst doen. Is dit voldoende als beschrijving om het tuigachtige te benoemen of moeten we ook dat dienstachtige beschrijven om in te zien wat die schoenen ‘zijn’, wat hun wezen is? Ze doen dienst als de boerin ze aan haar voeten heeft op het land. Hier zijn de schoenen wat ze ‘zijn’. De boerin loopt erin, doet haar werk, merkt haar schoenen niet op, ze gebruikt ze. Dit is wat het tuigachtige van de schoenen als tuig tot uitdrukking brengt, waarin hun schoen-‘zijn’ ‘weest’.

De ‘Boerenschoenen’ van Van Gogh

De schoenen op het schilderij zouden we heel clean als schoenen sec kunnen interpreteren. Ze ontdoen van hun geschiedenis waarin ze gebruikt worden of zijn. De vraag wat wordt er op het schilderij afgebeeld, zouden we kunnen beantwoorden met een woordenboekdefinitie van schoenen: “voetbekleding, meestal van leer, lager dan een laars”. Het is duidelijk dat dit slechts een efficiënte naamgeving is om bijvoorbeeld schoenen van klompen of laarzen te kunnen onderscheiden. Pas als we de betekenis van ‘boerenschoenen’ oprekken naar hun gebruik (tuigachtigheid) zegt Heidegger, zien we dat ze uitgetrapt zijn van het altijd maar werken, dat in hun onverslijtbare degelijkheid de taaie volharding opgehoopt ligt:

“…de langzame tred door de langgerekte en altijd eendere voren van de akker waar een gure wind op staat. Aan het leer kleeft het vochtige en vette van de grond. Onder de zolen verglijdt de eenzaamheid van de landweg in de schemeravond. In het schoeisel trilt de zwijgende roep van de aarde nog na, haar stille schenken van het rijpende koren en haar duistere weerbarstigheid in het kale braakliggende winterse veld. Door dit tuig (schoenen) waart de gelaten zorg om het dagelijks brood, de woordeloze vreugde de nood weer te hebben doorstaan, de huiver rond de aankomst bij de geboorte en de siddering bij de alomtegenwoordige dreiging van de dood. Aan de aarde behoort dit tuig toe en in de wereld van de boerin is het geborgen…..”[1]

Heidegger laat hier onmiddellijk op volgen dat de boerin natuurlijk veel nuchterder is en de schoenen gewoon draagt.  Maar toch ‘weet’ ze alles wat in dit citaat staat zonder dat ze het uitdrukkelijk inziet of er over nadenkt. De schoenen als tuig zijn haar dienstig en als ‘zijnde’ rust in die dienstigheid hun wezen, hun essentie, hun betrouwbaarheid. Die betrouwbaarheid is in waarheid wat de schoen is, waarin hij ‘weest’. De hele context van het gebruik en dragen van de schoenen en wat er zich afspeelt in de werkelijkheid of wereld waarin de schoenen worden gedragen, behoren tot het schoen-‘zijn’.

Het kunstwerk als wereld

Terug naar het schilderij van Van Gogh. Ik sta ervoor. Ik zie de schoenen. In de aanschouwing komt een wereld tot leven. Het schilderij spreekt. Het neemt mij mee. Ik stel er vragen aan. Een verhaal komt tot leven. Ik verplaats mij in de wereld van het schilderij. Het is geen particuliere interpretatie. Mijn verhaal, verhaalt de werkelijkheid. Die treedt in het kunstwerk naar voren. Zoals ik hierboven al zei, mijn kunstervaring van dit moment wordt uitgebreid naar alle beelden, gevoelens en emoties van wat ik al eerder heb ervaren. Het kunstwerk verschijnt en geschiedt. De afgebeelde schoenen roepen het werken van het kunstwerk op. Er is iets gaan werken dat bij een oppervlakkige aanschouwing buiten beeld blijft. In het werk is iets aan het werk, zegt Heidegger. Wat verborgen was treedt naar buiten in de onverborgenheid van z’n ‘zijn’. We zien wat de boerenschoenen in waarheid ‘zijn’. “De onverborgenheid van het zijnde noemden de Grieken aletheia[2]. Wij zeggen waarheid….” Wat kunst is, geschiedt door het werken van het kunstwerk. Het kunstwerk komt in het licht van z’n ‘zijn’ te staan. In Heideggers woorden: “ Zo zou dan het wezen van de kunst zijn: het-zich-in-het-werk-stellen van de waarheid van het zijnde”

Het jargon van Heidegger is van een enorme taaldichtheid. Ieder van zijn woorden sleept een heel spectrum van betekenissen achter zich aan, gevoed door de klassieke talen en de rijkheid van de Duitstalige filosofie, literatuur en poëzie. Dit vraagt om studerend lezen en dan nog blijft de toegankelijkheid een pijnpunt. Het denken van Heidegger is zeker een vorm van wat ik ‘breeddenken’ noem. Het denkveld is overwoekerd met betekenissen die minieme onderscheidingen in zich dragen maar daardoor ook het vlinderslagprincipe vertegenwoordigen. G.W.F. Hegel (waarover zo) zegt dat de filosofie de wereld in grijs op grijs schildert. Vanuit die verbergende en onverbergende dynamiek van grijstinten komt waarheid moeizaam naar voren. Kunst kan soms zo treffend zijn dat het proces van waarheid in een beeld, in een kunstwerk manifest aanwezig is. (aanweest)

De esthetische aanschouwing

In de Duitse esthetica van het idealisme bij Immanuel Kant (1724-1804) en Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) zijn we wat jargon betreft niet veel beter af. Toch is de esthetica van met name Hegel heel belangrijk geweest in het beantwoorden van de vraag wat is kunst? Zijn veel geciteerde uitspraak dat kunst ‘das sinnlich scheinen der Idee’ is, zegt binnen zijn denksysteem ook dat de kunstenaar in de zintuigelijke vorm van het kunstwerk, de waarheid laat zien. Bij Hegel is alles geest. Idee en werkelijkheid zijn onmiddellijk op elkaar betrokken.

De mens als subject is subjectieve geest doordat hij zich van zichzelf en de wereld bewust is. De wereld is objectieve geest doordat de menselijke geest zich veruitwendigt, uitdrukt in objecten (voorwerpen, gezin, politiek, recht, economie, ambachtelijke kunst) Kunst, filosofie en God zijn absolute geest in de reflectie, waarin de geest zich van zichzelf bewust is geworden. De geschiedenis is het dialectisch proces waarin het subject zich als niet-subject uitdrukt in objecten en zichzelf als subject dus ontkent en verbergt maar zich weer herneemt en verzoent in de absolute geest. Kunst, religie, filosofie en God (in die hiërarchie) zijn de hoogste treden van de geest waar het begrip van de wereld opzichzelf en voorzichzelf – in Hegels woorden – in de absolute waarheid tot uitdrukking is gebracht. De geest is inzichzelf teruggekeerd.  Het dialectische proces (populair gezegd de ontwikkeling van these-antithese-synthese) kent een sleutelterm in het Duitse woord ‘aufheben’. De synthese is een vorm van ‘Aufhebung’. Het woord heeft de meerduidige betekenis van bewaren, optillen of verheffen, opheffen of beëindigen. In zijn ‘Vorlesungen über die Aesthetik’ laat Hegel dit ook gelden voor de kunst of het kunstwerk. Als de kunstenaar een idee krijgt voor een kunstwerk, zich een vraag stelt, moet dat idee zijn bestemming krijgen in het kunstobject waardoor het als idee wordt beëindigd. In de fase van de schepping van het kunstobject wordt de idee bewaard in het object en opgetild uit zijn idee-zijn. In de aanschouwing van het kunstwerk ‘schijnt’ de oorspronkelijke idee losgemaakt, bewaard en opgetild door het scheppingsproces als zintuigelijke waarheid in het kunstwerk. Bijvoorbeeld het wezen van het schoen-zijn van de ‘schoenen’ van Vincent van Gogh. Alleen de filosofie kan die waarheid dénken en is dus volgens Hegel een hogere vorm van de absolute geest.

Tot slot

De opvatting van Hegel[3] ontkent niet dat in de onmiddellijke aanschouwing niet een esthetische ervaring van schoonheid kan ontstaan. Integendeel. Een ‘waar’ kunstwerk laat juist in die aanschouwing zijn waarheid schijnen. Plato’s hoogste ideeën van het Schone, het Goede en het Ware, komen erin tot uitdrukking.

Laat ik Martin Heidegger als laatste aan het woord over kunst en kunstwerk:

“Door de vraag naar de oorsprong van het kunstwerk te stellen, proberen we een paar stappen te zetten. Het is zaak het werkkarakter van het kunstwerk in het oog te krijgen. Wat het woord oorsprong hier betekent is gedacht vanuit het wezen van de waarheid.”[4]

[1] In dit citaat uit ‘De oorsprong van het kunstwerk’ komen belangrijke termen van de latere Heidegger naar voren: ‘Erde’ en ‘Welt’. 1950, 2009 p. 45

[2] O.c. 47.  Aletheia is een grondwoord van Martin Heidegger en betekende in het oude Grieks waarheid als onverborgenheid.  Hierin klinkt ook nog de betekenis van de rivier de Lethe mee, die werd overgestoken in de onderwereld. De herinneringen werden vergeten, ook in de zin van verbergen.

[3] Dit deel van mijn beschouwing leunt op het boek ‘Denken over Kunst’ 1996 van A.A. van den Braembussche.

[4] O.c. 97

Advertenties