Ordening

door Denkerij®

De gebouwde ruimte

Een van de meest in het oog springende waarnemingen binnen de context van het (natuurlijk) leven is de bouw van een onderkomen door allerlei levende wezens: van eenvoudige hazenlegers tot geweldig complexe nesten van mierenkolonies met kraamkamers en ingewikkelde luchtverversing systemen. Opvallende overeenkomst aan al die bouwwerken is de strakke ordening en de bijna wetmatige constructie op basis van een biologische blauwdruk, die informatie verschaft over hoe en wat. Als de mens is geëvolueerd van steppedier tot homo sapiens en zich ook in bouwwerken gaat huisvesten, perfectioneert hij het bouwen voortdurend en past het aan, aan zijn ontwikkeling tot hét informatie verwerkend biologisch wezen bij uitstek.  Het bouwen door de mens van schamele hutjes om te schuilen tot extreme bouwwerken als de Burj Khalifa vraagt al gauw genoeg om bouwmeesters. Zij ontwikkelen een plan dat ordening aanbrengt in een te bebouwen ruimte. Een van de eerste bouwmeesters of architecten die de uitgangspunten van de gebouwde ruimte vastleggen is de romein Vitruvius (85-20 v. Chr.) (de homo universalis van Leonardo da Vinci).

Het ordeningsprincipe

Deze ordenende drift van de mens die sterk gevisualiseerd is in het bouwen, roept vragen op over de aard van het menselijke ordeningsprincipe. Zo is er bijvoorbeeld de vraag of de werkelijkheid in zichzelf geordend is of dat de ordening in de werkelijkheid door de mens wordt aangebracht?  Is het Kantiaanse ‘Ding an sich’ – gereduceerd tot een bundel atomen – gegeven binnen een consistente orde of is die orde het gevolg van de werking van het menselijk kenapparaat? Zijn alle zintuigelijke objecten ‘á priori’ gekaderd door Kants ‘formen der reinen Anschauung’; ruimte en tijd? Of als we het menselijke kennen tussen haakjes zetten en niet historisch maar verklarenderwijs terug gaan naar ‘In den beginne was het woord (logos)…..’ is deze ‘logos’ dan bij voorbaat gegeven in de werkelijkheid? Stel dat we God loslaten en dus ook zijn goddelijke geest als Logos, is er dan nog iets over dat de werkelijkheid van een ‘á priori’ ordening voorziet?

De geordende werkelijkheid

Deze prikkelende filosofische exercitie vanuit het Duits idealisme van Immanuel Kant (1724-1804) en G.W.F. Hegel (1770-1831) laat niet veel kentheoretische ruimte over voor andersdenkenden. In dat idealisme is hét axioma dat alle werkelijkheid van ‘Geest’ c.q. ‘Logos’ doortrokken is en daardoor kenbaar is “Was vernünftig ist, das ist wirklich; und was wirklich ist, das ist vernünftig”. (Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts) De filosofie na Kant en Hegel heeft zwaar te lijden gehad onder deze giganten van het denken. Maar al vanaf zijn tijdgenoot Arthur Schopenhauer (1788-1860) en wat later Friedrich Nietzsche (1844-1900) is er ook stevige kritiek op het systeemdenken dat alle wetenschap wil samenvatten in één filosofisch systeem. Wetenschapsfilosofisch is Karl Popper (1902-1994) in de 20e eeuw de grote criticus van de gesloten logica van Hegel. Zeker op het moment dat de scheppingsidee tussen haakjes wordt geplaatst, is het moeilijker om een ‘á priori logos’ aan te nemen. De wetenschappelijke methode blijft weliswaar gestoeld op logica, consistentie, het beginsel van niet-tegenspraak, empirische toetsbaarheid enz, maar dat zijn de hulpmiddelen om de empirische werkelijkheid te verklaren. Op zichzelf valt daaruit niet af te leiden dat die werkelijkheid in essentie niet-chaotisch is en dus bij voorbaat geordend.

De architectonische ruimte

Maar terug naar het bouwen en de ordening van de te bebouwen ruimte. Dit thema heeft mij te pakken gekregen na een bezoek aan de kerk van de benedictijner abdij van Mamelis gebouwd door de benedictijner architect Dom Hans van der Laan (1904-1991).

KerkInterieur_Laan_Mamelis

Kerkinterieur Abdij Sint-Benedictusberg

Hij heeft zijn denken over ruimte en bouwen net als Vitruvius vastgelegd in een werk ‘De Architectonische Ruimte’ (1992). In 15 lessen leert hij de lezer over ‘de dispositie van het menselijke verblijf’ zoals de ondertitel van zijn boek luidt.

Stonehenge credits David White

Stonehenge credits David White

In het laatste hoofdstuk behandelt hij als voorbeeld de bebouwing van Stonehenge.[1] Dit vierduizend jaar oud megalitisch monument is als bouwwerk een primitief menselijk ‘verblijf’ met een strakke maatvoering. Zonder dat ik hier of later in detail zal treden over de mathematische verhoudingen van die maatvoering, gaat het van der Laan er om de ‘menselijke maat’ van deze religieuze offerplaats bloot te leggen. Het is zoals hij zegt: “…een architectonische ruimte als menselijk antwoord op de ruimte van de natuur…” [2] De regelmaat in de dispositie van de monolieten geeft een architectonische ordening (of ordonnantie zoals van der Laan het noemt) die nauwkeurig mathematisch kan worden beschreven. [3] Hij vat dit samen in paragraaf 15 van Hfdst XV: “Met niet meer dan 75 stenen en enkele aarden wallen is het monument….een eminent voorbeeld van de architectonische ruimte.”

Het plastisch getal

Maar van der Laan gaat nog verder in zijn zoektocht naar de ordening van de ruimte. Hij ontwikkelt het concept van het ‘plastisch getal’. Dit getal is een maatstelsel dat uitgaat van de wanddikte als kleinste eenheid in een architectonische ruimte. Het ontwerp van de hele ruimte verhoudt zich tot de basiseenheid als een verhouding van 4/3. Het plastische getal is daarmee voor van der Laan de ultieme grondverhouding voor het invullen van een geordende architectonische ruimte als menselijk verblijf. Zelf zegt hij in een brief aan Jos Naalden waarvoor hij een huis ontwierp, dat een huis dat volgens de verhoudingen van het plastisch getal is gebouwd ons de ruimte lichamelijk doet ervaren, zintuigelijk doet waarnemen en verstandelijk doet waarderen. Tot zover is de analyse van de architect van de gebouwde ruimte nog steeds een esthetisch standpunt, dat in de praktijk van het bouwen volgens dit concept ook tot zeer fraaie en elegante ontwerpen heeft geleid. De benedictijn in van der Laan komt vervolgens toch boven drijven als hij het concept van het plastisch getal een universele waarde toekent. Door het plastisch getal wordt de hele architectonische vormgeving voor het verstand opengelegd, schrijft hij.[4] Het ordenend verstand sluit de kringloop tussen verstand en maaksel en doet dat zoals in de natuur, die getuigt van het scheppend verstand dat haar geordend heeft. Hier zijn we weer terug bij de Logos met hoofdletter, die als Absolute Geest of scheppende God ‘á priori’ voor een perfecte ordening heeft gezorgd.

De ordening revisited

In een discussie hierover heb ik mij op het standpunt gesteld dat die ‘á priori’ ordening in filosofische zin helemaal niet is gegeven. Met name van der Laan ‘gelooft’ dat God zich in de natuur laat zien en dat ons verstand gevormd is naar beeld en gelijkenis van Zijn scheppend verstand, dat de natuur geordend heeft. Het plastisch getal sec, als goddelijke idee, is daarbij het ordeningsprincipe geweest. Mijn opponenten vinden zijn redenering echter zuiver abstract en stellen zich op het standpunt dat de natuur en de wetten van de fysica door mensen geformuleerd zijn, maar niet geconcipieerd. Met andere woorden ze zijn inherent aan de natuur en waren er ook al toen er nog geen sprake was van een homo sapiens. Zoals ik hierboven onder verwijzing naar het Duits idealisme al heb laten zien valt tegen deze opvatting moeilijk wat in te brengen omdat ‘á posteriori’ blijkt dat de werkelijkheid fundamenteel geordend is. Het verstand kan alleen methodisch verklaren. Maar het is net als met het tijdsbegrip of met ‘de first three minutes’ van de schepping[5]: als de tijd geschapen is en zich samengebald ophoudt in de ‘niet-tijd’ dan kun je je niet afvragen wat er was vóór die schepping omdat ‘vóór’[6] een tijdsbegrip is. Ook in de moderne deeltjes-fysica of quantumtheorie is de ordening een probleem. Er is altijd een onzekerheid wanneer en waar die ordening kan worden vastgesteld. Die ordening is slechts benaderbaar in een wiskundige beschrijving die de plaats van de werkelijkheid heeft ingenomen.[7]

Tot slot

Met deze onzekerheid en twijfel ben ik in het hart van de moderne continentale filosofie terecht gekomen, waar titels als ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ van Arthur Schopenhauer tegen het systeemdenken van Hegel ingaat en  ‘Menschliches Allzumenschliches’, van Friedrich Nietzsche dat de gedroomde zekerheid als antropomorf aan de kaak stelt. Ook  Sören Kierkegaard (1813-1855) behoort tot die filosofische stroming als hij de vertwijfeling als een van de kernthema’s van zijn denken verdedigt en ook het systeemdenken van Hegel verwerpt. Willen we dus de hele mens en niet alleen de wetenschappelijke mens verdisconteren in ons werkelijkheidsbegrip, dan zal de ordening van de werkelijkheid altijd verstoord worden door ons gebrek aan verstandsvermogen om haar buiten de axioma’s te begrijpen. Alle denken is axiomatisch.

 

[1] O.c. 206 Hfdst XV

[2] 0.c. 211

[3] O.c. 218

[4] ‘De Architectonische Ruimte’ precieze pagina ben ik vergeten te noteren.

[5] ‘The First Three Minutes: A Modern View of the Origin of the Universe’ Steven Weinberg

[6] Met dank aan Augustinus die dit in zijn ‘Belijdenissen’ al vaststelde.

[7] “De opvatting van de objectieve werkelijkheid van de elementaire deeltjes is dan ook verdampt, niet in de wolk van een of ander obscuur nieuw werkelijkheidsconcept, maar in de transparante helderheid van een wiskunde die niet langer het gedrag van een deeltje vertegenwoordigt, maar eerder onze kennis van dit gedrag.” Heisenberg, W. (1958), The representation of nature in contemporary physics.

Advertenties