De mens als bedreigd cultuurwezen II

Oorlog als politiek met andere middelen

In een briefwisseling in het jaar 1932 buigen Albert Einstein (1879-1955) en Sigmund Freud (1856-1939) zich over de vraag, ‘Waarom oorlog’ [1]. Beide beschouwen zichzelf als humanist en pacifist. Hun analyse is echter vrij meedogenloos. Voor de eeuwige vrede moet je niet bij de mens zijn. Oorlog is een constante in de politiek. Alleen het middel is afwijkend. De termen die beide gebruiken om het politieke klimaat van hun tijd en het gedrag van de machthebbers te duiden misstaan anno 2018 niet. De elite in de dertiger jaren van de vorige eeuw wordt gedreven door politieke en persoonlijke machtshonger. Zij doet er alles aan om de massa’s aan zich te binden en ontwikkelt daarvoor een uitgelezen propaganda apparaat . De ontketende massapsychoses als gevolg van ophitsing en het teweegbrengen van volkswoede leidt tot de bereidheid van zelfopoffering van zowel de intelligentsia als de ongeletterden binnen de volksmassa’s. De psychologische krachten voeren de boventoon volgens Einstein en hij vraagt Freud, als kenner van het menselijke driftleven, zich uit te laten over de uiting van de vernietigingsdrift die de oorlog is.

Oorlogsdreiging toen en nu

In het onderstaande zal ik niet direct ingaan op de betekenis van Freuds antwoord voor onze huidige tijd. Ik stel alleen vast dat er ook nu sprake is van politieke desintegratie op allerlei fronten en zeker ook binnen de geopolitieke machtsverhoudingen. De democratie bestaat nog in naam en er zijn verkiezingen. De politieke macht van het volk lijkt echter in veel gevallen te zijn overgedragen aan autocraten die een agenda hanteren waarin de geïsoleerde nationale belangen en de belangen van zichzelf en hun kiezersaanhang uitstijgen boven die van de nationale en internationale gemeenschap als geheel.  Ze lijken ‘moral unfit’. Om met Einstein te spreken:

 “…hoe [is] het mogelijk dat de zojuist genoemde minderheid [elite] de volksmassa’s aan haar begeerten dienstbaar kan maken, terwijl die massa zelf alleen maar te lijden en te verliezen heeft door een oorlog.”[2]

En dan te bedenken dat Einstein en Freud beide nog geen idee hebben van een nucleaire oorlog.

Macht en geweld

Freud begint zijn antwoord al direct met het scherp stellen van de verhouding tussen recht en macht en wijst Einstein er fijntjes op dat je voor macht eigenlijk ‘geweld’ moet invullen. Sinds het ‘begin’ of het ontwaken van de mensheid bestaat er een ‘wil tot geweld’[3] De oorlogen rijgen zich aaneen in de geschiedenis van de mens. De belangenconflicten en wilsbepalingen worden standaard door de oervorm geweld beslecht. Ook als het recht al stevig in de cultuur[4] is ingebed, is “duurzame”[5] uitschakeling van de tegenstander om wraak te voorkomen dé definitie van oorlog. Pas als er gemeenschappen ontstaan wordt het geweld gekanaliseerd in het recht en wordt de brute machtsdrift onderdrukt, of in Freuds termen gesublimeerd. Als gevolg daarvan ontstaan instituties, organen en wetten. Het geweldsmonopolie ligt niet meer bij eenlingen of kleinere belangengroepen met veel macht, maar bij de gemeenschap als geheel. Door identificatie met die gemeenschap raken de leden emotioneel op elkaar betrokken en ontstaat er een gemeenschapsgevoel. Toch raakt de saamhorigheid van iedere gemeenschap ook weer verstoord doordat er een onbalans groeit in de machtsverhoudingen;  economisch, sociaal en in de toepassing van het recht. Binnen die vicieuze cirkel toont het bruut geweld zich weer als oorlog (het recht is buiten werking) in allerlei vormen. De periodes dat het recht onafgebroken vigeert, zijn vrij zeldzaam en niet echt langdurig. De Pax Romana duurt ongeveer 200 jaar en in Zwitserland kent men sinds 1815 ook vrede.

De instituties voldoen niet

De instituties als de geïncorporeerde ideeën van hoe aan een samenleving een bestendige draagkracht kan worden gegeven, blijken niet sterk genoeg. Nieuwe initiatieven als de Volkenbond redden het ook niet. Een wereldregering komt niet tot stand omdat het ontbreekt aan gemeenschapszin onder de volkeren en er dus geen overdracht van het geweldsmonopolie aan dat instituut kan komen. De reële macht kan blijkbaar niet gesublimeerd worden door de macht van de ideeën, beweert Freud.[6] Er is iets met macht, geweld, haat en vernietiging dat zo alles overheersend is en zo fundamenteel opgesloten zit in de menselijke aard dat het vraagt om een nadere analyse van die menselijke eigenschappen.

De fundamentele drijfveren van de mens

De drijfveren van de mens waarvan hij zich gewoonlijk niet-bewust is, hebben grote invloed op zijn inzichten en handelen. Binnen de driftentheorie van de latere Freud zijn er twee fundamentele driften werkzaam in ieder organisch wezen van eencellige tot en met de homo sapiens: de levensdrift, Eros en de doodsdrift, Thanatos[7].  De laatste is bijna synoniem aan de agressie- of destructiedrift.  In alle driftimpulsen treedt een merkwaardige vermenging of ambivalentie op van deze fundamentele driften. In de verovering van een liefdesobject bijvoorbeeld toont de agressiedrift zich evenzeer, als de drift om te beminnen. In het kader van de analyse van de vraag ‘Waarom Oorlog?’ is de destructiedrift als afgeleide van de doodsdrift bijna noodzakelijk het hoofdonderwerp. Niets in de menselijke cultuur heeft de destructiedrift tot nu toe weten te beteugelen. De geneigdheid tot agressie en oorlog is evident. Als tegenargument wil ik echter wel opmerken dat de netto-opbrengst van de levensdrift aanmerkelijk hoger is dan die van de destructiedrift en haar slachtoffers. Dat neemt niet weg dat vernietiging van dat wat Eros ter wereld brengt als hoogst onwenselijk wordt ervaren. Op allerlei manieren is Eros binnen de cultuur als ‘de Liefde’ vereerd tot en met een verbond met God, dat als hoogste gebod het liefhebben van de naaste poneert.  Toch kan de mens dit niet waarmaken en veroorzaakt de cultuur altijd weer een onbehagen dat de vernietigingsdrift aanwakkert en Irene als godin van de vrede weet te verjagen.

Het gebod van de naastenliefde en het onbehagen

In zijn essay ‘Het onbehagen in de cultuur’ [8] gaat Freud daar dieper op in.[9] De weerzin tegen de ander als vreemde is zo diep verankerd in ons driftleven dat wij hem eerder haten en als vijand ervaren, dan liefhebben.  De naaste is dan lustobject van de agressiedrift die om bevrediging vraagt. Uitbuiting , seksueel misbruik, het beroven van bezittingen, vernedering, marteling en het doden van de naaste zeker als vreemdeling, ligt daarom meer voor de hand. Homo, homini lupus.[10] Dit maakt dat de cultuur als sublimatie van de rede, voortdurend met desintegratie wordt bedreigd.  De goedwillenden en verkondigers van het gebod ‘heb u naaste lief als uzelf’, verliezen keer op keer hun strijd tegen de oorspronkelijke menselijke natuur, die zijn neiging tot agressie wil bevredigen. Zeker omdat de cultuur aan de mens morele beperkingen oplegt waardoor hij geremd wordt in zijn gedrag. De oermens ondervindt die remmingen en driftbeperkingen niet omdat hij net als ieder ander dier binnen de grenzen van zijn instinct handelt. Frustraties zijn hem vreemd, want het geweten is nog niet ontwikkeld.  De doodsdrift als destructiedrift is van nature dermate massief dat volgens Freud de cultuur zoals wij die tot nu toe ontwikkeld hebben, ontoereikend is om ons een gelukkig goed leven te garanderen. Alleen als we ons op het nihilistisch standpunt stellen dat we de wortels van onze onvolmaaktheid blootleggen en inzien dat de cultuur een gebrekkig middel is om de driften te reguleren, zouden er gaandeweg verbeteringen kunnen optreden, waardoor de driftimpulsen beter worden bevredigd. Zelf is hij daar vrij sceptisch over omdat hij de massa’s en hun leiders niet vertrouwt en hij noemt daarbij nadrukkelijk “…de huidige culturele situatie in Amerika…”[11] (n.b. 1932)

Pacifisme tegen beter weten in

Als we teruggaan naar zijn antwoord aan Einstein noemt Freud ook daar uitdrukkelijk, ter bestrijding van de zucht naar oorlog, de leiders en de massa’s. Hun psychische status heeft pathologische trekken en vraagt om een opvoeding, die mij doet denken aan de filosoof-koningen van Plato. Maar net als bij Plato komt hier Freuds paternalistisch karakter bovendrijven. Hij acht de massa’s niet in staat om zichzelf te reguleren. Ze hebben een autoriteit nodig waaraan ze zich onvoorwaardelijk onderwerpen. (Cynisch is wel dat hij enkele jaren later moet vluchten naar Engeland voor zo’n autoriteit.) Voorwaarde daarbij is dat de autoriteit de onzelfstandige massa’s pas kan leiden als die leiders zijn opgevoed als zelfstandig denkende, niet te intimideren, naar waarheid dorstende mensen.[12] Deze elitevorming zou dan als utopisch resultaat een massa opleveren die zich heeft onderworpen aan de dictatuur van de rede, maar daar gaat Freud theoretisch noch praktisch van uit. Hij denkt zelfs dat een volgende oorlog “…..vanwege de perfectionering van de vernietigingsmiddelen de uitroeiing van één of misschien beide partijen zou betekenen…”[13] Tegelijk noemt hij zichzelf naast Einstein een pacifist, die gelooft in het civilisatieproces dat naast vernietiging veel heeft opgeleverd, maar bij lange na de vernietigingsdrift als uiting van de doodsdrift niet ongedaan heeft gemaakt. Zou het mensdom uitsterven (theoretisch moet dat in de visie van Freud het geval zijn omdat de doodsdrift uiteindelijk al het organische tot anorganische materie zal terugbrengen), dan is de natuur meester gebleken over de cultuur. Kan het onbehagen door de  driftremmingen die de cultuur met zich meebrengt worden overwonnen,  dan is het andersom en zou het pacifisme kans van slagen hebben. Dat betekent dan een einde aan het oorlog voeren als gevolg van het welslagen van het civilisatieproces.

Tot slot

Het postmodernisme na de holocaust, is alle vertrouwen in een vooruitgang van de civilisatie verloren. Het nihilisme van onder andere Friedrich Nietzsche is gretig overgenomen. Het cultuurproces heeft geen doel. De rede zal niet zegevieren, tenzij evolutionaire termijnen in acht worden genomen, maar dat is om met Freud te spreken ‘das Eiapopeia vom Himmel’ en vergelijkbaar met het geloof in een hiernamaals. De deconstructie van de gerationaliseerde werkelijkheid en het opzij zetten van de fictie van het goede, het niet langer propageren van een mythologische  verhaal binnen het wensdenken dat gekoppeld is aan het ‘Lustprinzip’, maar oog voor de werkelijkheid vanuit het ‘Realitätsprinzip’ en dat monster vanuit een fiere ‘Herrenmoral’ recht in de bek kijken, kan de menselijke hybris wellicht het hoofd bieden. Of zou de mens 3.0 die zijn ‘Wille zur macht’ heeft overgedragen aan een moreel neutrale technologie de redding kunnen zijn? Halen we dat nog of heeft Thanatos dan al toegeslagen?

[1] Freud Werken, deel 10, pagina 236
[2] O.c. 237-238
[3] Freud zegt Friedrich Nietzsche nooit gelezen te hebben. Toch dringt zich hier Nietzsche’s  hoofdbegrip ‘Wille zur Macht’ onwillekeurig op. Nietzsche heeft het ook over macht als geweld.  Het verschijnsel geweld is onontkoombaar, in een analyse van de werkelijkheid. Daarnaast is de wil tot macht ook een cultuurkritiek. De ongepolijste dionysische cultuur is onderdrukt door de apollinische rede. De samenleving is stuk georganiseerd door een verregaande rationalisatie van het leven. Deze vervreemding bestrijdt Nietzsche. Hij interpreteert alles wat niet door strijd tot stand is gebracht, waarvoor niet is geleden, als zwakte.
[4] Cultuur is hier en in het onderstaande steeds te begrijpen in tegenstelling met natuur en niet als het geheel van kunstuitingen van de mens.
[5] O.c. 241
[6] O.c. 245
[7] Freud zelf gebruikt de term Thanatos niet. In de Griekse mythologie is het de personificatie van de dood.
[8] Sigmund Freud ,  ‘Het onbehagen in de cultuur’,  p. 297-386, Amsterdam 1999.
[9] Ik heb daar eerder een Blog over geschreven  https://denkerij.wordpress.com/2017/04/29/de-mens-als-bedreigd-cultuurwezen/
[10] O.c. Hfdst. V, p. 350
[11] O.c. p. 355
[12] Freud Werken, deel 10, pagina 248
[13] O.c. p. 249

 

Advertenties