LITERATUUR ALS ETHISCHE LEERSCHOOL

door Denkerij®

De deugden ethiek van Aristoteles

In zijn werk de ‘Ethica Nicomachea’ leert Aristoteles (384-322 b.C.) dat de goede manier van leven neerkomt op een praktisch juiste manier van leven. Uiteindelijk zal deze manier van leven het meeste geluk brengen. Om inzicht te krijgen in de juiste manier van leven, ontwikkelt hij in zijn werk een deugdenethiek. In de praktijk van het leven kom je erachter wat een deugd is en hoe hij wordt gevormd. Het is een uiterst subtiel proces van levenservaringen die je leren wat bijvoorbeeld moed is. Pas nadat je je in situaties hebt teruggetrokken waar je achteraf van denkt dat wat meer inzet en risico je het gewenste resultaat zou hebben opgeleverd en andersom; als je veel te hoog hebt ingezet in andere situaties, leer je wat het midden en de juiste maat is. In het ene geval ben je te laf geweest in het ander geval overmoedig. Moed is een praktische gulden middenweg die steeds weer anders is, afhankelijk van de omstandigheden en context. Je bent niet moedig, rechtvaardig, matig, vrijgevig of vriendelijk van geboorte. Als deze deugden de voortreffelijkheid van je karakter bepalen, heeft dat karakter zich ontwikkeld, is deugdelijkheid iets dat je hebt geleerd, weet je uiteindelijk waar het midden is en hoe je je handelen in balans brengt. Aristoteles leert ons dus dat voortreffelijkheid van karakter geen theoretisch of transcendent inzicht is in Plato’s idee van het Goede maar een empirisch verkregen kwaliteit.

Het goede leven en de menselijke waarden

De Amerikaanse filosofe Martha C. Nussbaum onderschrijft de praktische ethiek van Aristoteles maar vraagt zich tegelijkertijd af hoe dat leren in zijn werk gaat. De school van het leven heeft vaak een te kortstondig curriculum om alle menselijke waarden en alle deugden en ondeugden in de praktijk te ervaren en te leren. Is er dan iets dat mij kan helpen om toch een voortreffelijk karakter te ontwikkelen? Kunnen leeservaringen aan die karaktervorming bijdragen? Kan literatuur of lectuur mij leren inzicht te verkrijgen in en ervaring op te doen met het spanningsveld van de schuivende panelen die zich bewegen tussen lafheid en vermetelheid, tussen deugd en ondeugd? Kan literatuur een ethische leermeester zijn? Zijn de menselijke waarden in die literatuur uitputtend geïnventariseerd? Nussbaum heeft er een diepgaande studie aan gewijd en heeft met name teksten ontleed uit de Griekse oudheid, te beginnen met de Griekse tragedies. Haar werk ‘The fragility of goodness’[1] dat in het Nederlands is vertaald als ‘De breekbaarheid van het goede’[2]  (in het Engelse ‘fragility’ klinkt ook kwetsbaarheid en broosheid mee) heeft als ondertitel ‘Geluk en ethiek in de Griekse filosofie en literatuur’. Zij laat zien dat de Griekse literatuur eigenlijk het goede leven en de menselijke waarden tot onderwerp heeft en de ‘eudaimonia’ of ‘leer van het juiste leven’ onderwijst, binnen een literair kader of in de uitvoering van de tragedies. Met andere woorden literatuur behelst ook een praktische filosofische ethiek door erover te reflecteren en de literaire voorbeelden in je eigen concrete werkelijkheid te projecteren. Vanuit de leeservaringen wordt het duidelijk hoe moeilijk en ingewikkeld een juist leven is, omdat wisselvalligheid en onzekerheid voortdurend inbreuk maakt op je goede intenties.

Leert literatuur wel moreel te handelen?

Als Nussbaum het voorbeeld behandelt van Agamemnon die zijn dochter Ifigeneia moet offeren om de Goden gunstig te stemmen, zodat er winden opsteken die hem zijn reis kunnen doen voortzetten, vraag ik mij als modern mens af,of die primitieve mythologieën mij daadwerkelijk iets over het goede kunnen leren? Het dilemma voor Agamemnon om in vrijheid te kiezen voor de liefde voor zijn dochter, of in te stemmen met de noodzaak van de wet oftewel het lot om de Goden gunstig te stemmen, herken ik niet meer als een daadwerkelijk moreel conflict. Ik kan nog wel bevangen raken door de tragische setting waarin het dilemma ten tonele wordt gebracht, zoals dat ook verschijnt in de Bijbelse mythe van Abrahams offer van Isaak. Maar of mijn inlevingsvermogen bijdraagt aan het vormen van mijn besef van goed en kwaad en dus mijn ethische sensitiviteit voor het goede of mijn voortreffelijkheid van karakter bevordert, durf ik toch sterk te betwijfelen. Nussbaum daarentegen laat dat min of meer open. Het dilemma of de conflictsituatie laat wel zien dat er een domein is, waarbinnen het goede zeker niet gegeven is maar de mens overgeleverd is aan het drama van zijn existentie, dat tragische keuzes met zich meebrengt. Ook dat zou volgens haar, zijn waardeninzicht vormen en zo bijdragen aan zijn inzicht in het goede en dus zijn karaktervorming bevorderen.

De paradox van het goede leven als dystopie

Martha Nussbaum breidt in haar latere werk haar benadering van literatuur als leerschool voor ethische vorming nog uit, door het werk van schrijvers als Henry James, Marcel Proust en Charles Dickens te duiden. De combinatie moraalfilosofie en literatuur ontwikkelt zich langzaam als een nieuw genre van de filosofische ethiek. Ongeveer tegelijkertijd ontstaat er in de literatuur zelf een (tegen)beweging die een verregaande kritiek levert op het opkloppen van het goede en de menselijke waarden vanuit de literatuur richting het filosofisch domein. De Franse schrijver Michel Houellebecq publiceert in 1999 zijn dystopische roman ‘Elementaire deeltjes’. In het werk ontwikkelt zich een plot waarin alle scenés een aaneenschakeling zijn van mislukkingen. Er is alleen vluchtig genot. Verwachtingen worden nooit waargemaakt. Voornemens blijken fantasieën. Rust, reinheid en regelmaat blijken deugden uit een ander universum. De mens als totale egoïst bepaalt de soort. De halfbroers Bruno en Michel zijn de protagonisten. De eerste, een non-valeur die zich te pletter loopt in het nastreven van een hijgerig genot en de ander een briljant moleculair bioloog die de mensheid gaat redden door haar genetisch te transformeren tot een nieuwe soort. Michel verdwijnt in de roman in een soort ‘fade-out’: “…omdat hij zich verstoken voelde van elke menselijke binding.”[3] Zijn werk als bioloog is technisch en moreel gesproken een Copernicaanse omwenteling omdat de mens zich ontdoet van de evolutie en zelf bepaalt hoe hij als nieuwe soort is samengesteld. Ontdaan van de destructieve kenmerken van de muterende replicaties wordt hij zelf heer en meester van elke cel. Hij herschept het genoom en ontdoet de mens van zijn egoïstische kenmerken. Hoewel Houellebecq er geen weet van kan hebben gehad is het frapperend dat onlangs de CRISP-CAS9 techniek[4] is toegepast op de menselijke cel, waardoor de mens dóór de mens fundamenteel genetisch is veranderd. De fictie van de epiloog van ‘Elementaire deeltjes’ is welhaast non-fictie geworden.

De negatieve ethiek van het nihilisme

De roman van Houellebecq is ronduit nihilistisch voor zover het de nu levende menselijke soort betreft. Toch is zijn kritiek op de menselijke waarden en het ontbreken van een betrouwbaar moreel besef óók een ethische vorming. Zelf is hij in hoge mate gevormd door zijn leermeester Arthur Schopenhaur (1788-1860) de aartspessimist en nihilist onder de filosofen. Het hoofdwerk van Schopenhauer ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’[5] gaat er vanuit, dat een alles overheersende ‘Wil’ de hele werkelijkheid als een blinde en doelloze levenskracht bepaalt. De mens beschikt over niet meer dan een ‘Voorstelling’ van die werkelijkheid. Binnen de zeer enge bewegingsruimte van de individuele wil kiest de mens voornamelijk voor zijn ego en veroorzaakt met zijn egoïsme veel van zijn eigen  lijden en het  lijden van zijn medemens. Alleen een totale egoreductie (Boeddhisme) en het erkennen door de individuele mens van zijn onderworpenheid aan de allesbeheersende ‘Wil’ kan het lijden overwinnen. Schopenhauer gelooft daar niet in en met hem zijn leerling Houellebecq.

De troost van een eudemonologie

Michel Houellebecq getuigt zelf van het leermeesterschap van Schopenhauer in zijn publicatie ‘In aanwezigheid van Schopenhauer’[6]. De metafysica van de ‘Wil’ waarmee alle organische en anorganische natuur doordrenkt is, is zo extreem algemeen dat hij niet gepsychologiseerd kan worden.[7] Met andere woorden de individuele wil is er volstrekt aan ondergeschikt. Daarnaast is de doelloosheid van de ‘Wil’ ook hemeltergend omdat er alleen herhaling is van het ronddraaien van de hemellichamen en (tegenwoordig) de replicatie van de cel, tot en met het herhalen van de menselijke strevingen en wensen. Het zou eigenlijk een absurde en dodelijke verveling moeten opleveren[8] (‘Wachten op Godot’, Samuel Beckett[MP]). Houellebecq leert van de ‘Wereld als Wil en Voorstelling’ dat de wereld iets onaangenaams is en de organische natuur het domein van hevig lijden. De mens lijdt daarin het meest doordat hij wordt gestuurd door begeerte en genot. Als we dit dan onvermijdelijk zijn en toch aanvaarden, biedt die kennis ook troost volgens Houellebecq. Maar ook Schopenhauer zelf weet dat zijn metafysisch-ethisch standpunt van de ‘Wil’ een dermate deprimerende uitkomst heeft dat het in de praktijk van het leven vraagt om een eudemonologie als handleiding voor een gelukkig bestaan.[9] Om de mens daarin te helpen schrijft hij in 1851 zijn ‘Aphorismen zur Lebensweisheit’[10] Of dat nut zal hebben betwijfelt hij al direct in zijn inleiding omdat de wijzen onder de mensheid (Boeddha, Socrates, Jezus [MP]) altijd al beweerd hebben dat het niet om begeerte, genot, roem en bezit gaat en de dwazen dat altijd hebben ontkend.[11] Waar het wel om gaat in zijn eudemonologie is een subjectief welbevinden, gevoed door: gezondheid, een gematigde en zachtaardige wil, een rijke (breeddenkende [MP]) geest met veel gedachten, een opgewekt gemoed, tevredenheid en het beleven van vreugde. Als je als mens hierover kunt beschikken, beschik je over een rijke individualiteit, hoewel weinig glansrijk.[12]

Ten slotte

Het lijkt dat Nussbaum en Schopenhauer/Houellebecq tegenover elkaar staan in een zoektocht naar het goede leven en de menselijke waarden. Ik denk niet dat dit het geval is. De route is anders en Nussbaum probeert het goede in bescherming te nemen door de nadruk te leggen op de kwetsbaarheid en de breekbaarheid ervan, in de praktische werkelijkheid van het ethisch juist handelen. Daarin is ze ‘idealistischer’ en utopischer en vindt ze voorbeelden in de literatuur. Schopenhauer/Houellebecq gaan uit van de werkelijkheid als de dystopische ‘hel op aarde’ en denken in wezen niet dat die verandert. In praktische zin zijn ze heel wat milder gestemd omdat ze ook gereedschappen aanreiken om die dystopie te overleven. In dit traject vinden ze elkaar omdat ze denken in de filosofie van de Stoa een uitweg of een toevlucht te vinden. Maar daarover een andere keer meer.

[1] Cambridge University press, 1986
[2] Amsterdam 2006, op basis van de herziene Engelse uitgave van 2001
[3] Amsterdam, 1999, 2007, pag. 326
[4] https://denkerij.wordpress.com/2015/11/27/biotechnologie-kansen-en-bedreigingen/
[5] Leipzig 1818, dritten verbesserten und beträchtlich vermehrten Auflage 1859. Köln, 2009. (WWV)
[6] Amsterdam, 2018 (de tekst is ca. 2005 geschreven volgens vertaler en Houellebecq kenner Martin de Haan)
[7] O.c. 62
[8] O.c. 65
[9] O.c. 78
[10] ‘Bespiegelingen over levenswijsheid’ Amsterdam, 1991
[11] O.c. 10
[12] Amsterdam 2018, pag. 89

Advertenties