Toeval en haar morele reikwijdte

door Denkerij®

Determinisme

Determinisme is uitermate massief aanwezig in de westerse ideeëngeschiedenis. De werkelijkheid is wetmatig geordend. Er ligt een oorzakelijkheidsketen ten grondslag aan een doelmatige ontwikkeling van die veranderlijke werkelijkheid. Ze heeft een inherente noodzakelijke structuur, die sinds de Atheense filosofie als ‘Logos’ , ‘onbewogen beweger’ en ‘1e oorzaak’ van ‘Zijn’, wordt bestempeld. Dit vindt haar hoogtepunt in de filosofie bij G.W.F. Hegel (1770-1831) die de ‘Absolute Geist’ tot alomvattende determinatie van de werkelijkheid verklaart, en andersom. Er is binnen een logisch gedetermineerde werkelijkheid geen plaats voor toeval.

Ook in de klassieke natuurwetenschappen viert het determinisme hoogtij. Tot en met Albert Einstein (1879-1955) is er geen ruimte voor enig toeval. Tijd en ruimte zijn na hem weliswaar niet meer de absolute grootheden zoals bij Isaac Newton (1642-1727) die het speelveld van de gebeurtenissen binnen de werkelijkheid bepalen. De tijdsbepaling wordt afhankelijk van de bewegingstoestand van de waarnemer, die wordt begrensd door de lichtsnelheid. Deze relativiteit blijft echter strikt deterministisch en houdt volgens Einstein zeker niet in dat binnen de deeltjesfysica de wetmatigheid van de natuur kan worden losgelaten. Toeval in het gedrag van deeltjes verwerpt hij, onder verwijzing naar zijn beroemde uitspraak ‘der Alte würfelt nicht’.

Of toch indeterminisme

De meest moderne inzichten van de kwantummechanica en de ideeën achter de evolutietheorie hebben een behoorlijke wig gedreven in het concept van de ultieme berekenbaarheid van de werkelijkheid. Elementaire deeltjes kunnen zich onttrekken aan meetbaar en voorspelbaar gedrag en willekeurig, onvoorspelbaar en bij toeval bepaald gedrag vertonen. Dit indeterminisme waarover straks meer doet zich ook voor bij de evolutionaire stamboom. Ook hier speelt toeval een rol voor het ontstaan der soorten.

Toeval, lot en ethiek in de Griekse tragedies

In het Griekenland van de Attische tragedies is de mens afhankelijk van het toeval dat het lijden van zijn bestaan bepaalt. De gebeurtenissen binnen je leven overkomen je buiten je eigen toedoen. De goden spelen met je lot en verstoren je bestaan voortdurend. Om ze gunstig te stemmen zodat je je eigen plan kunt uitvoeren, moet je offers brengen. Van het plengen van wijn tot het offeren van je kinderen. Die situatie komt op allerlei manieren tot uitdrukking in de tragedies van Sophocles, Aischylos en vooral Euripides. Maar ook als je geen gehoor geeft aan de noodzaak van de wet en wilt kiezen voor je gevoel, emoties of liefde voor je kinderen of geliefden, slaan de goden genadeloos toe door in te grijpen en je noodlot te bepalen. Vooral de tragedies over de grote Griekse leider Agamemnon in de Trojaanse oorlog laten zien hoe het toeval hem totaal afhankelijk maakt van de willekeur van de Goden. Hij wordt gedwongen zijn dochter Iphigeneia te offeren voor een gunstige wind. Agamemnon is meedogenloos tegenover Ajax door hem niet te begraven omdat hij de wet zou hebben overtreden. Zelf wordt hij later slachtoffer van de wraak van zijn vrouw Klytamnestra die zelf weer wordt vermoord door hun kinderen Elektra en Orestes.

Een van toeval onafhankelijk bestaan mogelijkheid of fictie?

De tragedies zijn aangrijpend en worden nog steeds opgevoerd hoewel in ons collectief bewustzijn een door noodlot en toeval bepaald leven geen hoofdrol meer speelt. Waarom? Onze macht over de voorwaarden van ons leven is sinds de industrialisatie sterk toegenomen. We hebben steeds meer keuzes ter beschikking, ook keuzes tussen waarden. Alleen de verdeling van mogelijke keuzes lijkt nog niet rechtvaardig. Het dwingende noodlot is op afstand gezet, zelfs over onze gezondheid hebben we een zekere zeggenschap. Als we dus een leven kunnen leiden dat niet uitsluitend door het toeval wordt bepaald en waar we dus onze keuzes zelf aaneen schakelen, hoe verhoudt dat leven zich dan tot ethiek en moraal. Als we zeggenschap hebben over ons handelen is de vraag, in welke mate die zeggenschap zich daarover uitstrekt? Welke reikwijdte heeft ze? In een niet-gepredestineerde setting wordt de verantwoordelijkheid voor je eigen handelen steeds groter. Naarmate je vrijer bent en niet door toeval, noodlot of een door God bepaald levensplan wordt gestuurd, zijn de gevolgen van je keuzes voor jou en bepaal jij de waarden ervan. Hiermee zit je midden in een morele en ethische context én in een niét-gedetermineerd bestaan. Of lijkt dat maar zo? Is een onafhankelijk bestaan, waarbij de mens ruimte heeft om zijn eigen handelen te sturen en gevrijwaard is van toeval en lot een mogelijke werkelijkheid of is dat fictie?

Houdt een ethisch-project toeval buiten de deur?

In ieder geval zijn de oude-Grieken daar uitdrukkelijk mee bezig geweest. Zowel Plato (427-347 v.Chr.) en Aristoteles (384-324 v.Chr.) behandelen uitvoerig de tragedie-dichters en hun onderwerpen. Martha Nussbaum onderzoekt dat in de ‘Breekbaarheid van het goede’[1]. Het onderzoek stelt de vraag of de mens die een stelsel van morele waarden ontwikkelt, kwetsbaar blijft voor het toeval? Kan of moet een ‘goed leven’, dat deugdelijk en voortreffelijk is (het ethisch project van Plato en Aristoteles, volgens Nussbaum[2]), autonoom worden bewerkstelligd of is het zoals Shakespeare (1564-1616) het verwoordt:[3]

“Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow,
Creeps in this petty pace from day to day
To the last syllable of recorded time,
And all our yesterdays have lighted fools
The way to dusty death. Out, out, brief candle!
Life’s but a walking shadow, a poor player
That struts and frets his hour upon the stage
And then is heard no more. It is a tale
Told by an idiot, full of sound and fury,
Signifying nothing.”

Volgens Shakespeare is het duidelijk dat ons leven in ethisch opzicht zwaar te lijden heeft onder de irrationele delen van de ziel. Onze lusten in de vorm van begeerten, driften, emoties en gevoelens maken het leven grillig en instabiel en vol van morele conflicten. De hartstochten zijn de toevalsfactoren die de wanorde van het menselijk bestaan voeden. Plato bestrijdt dat en brengt de rede in stelling die ons inzicht kan verschaffen in de ‘Ideeën’, zoals de idee van het Goede en het Ware. Als we ons laten leiden door de rede, krijgen de hartstochten niet de overmacht en kunnen we een moreel hoogstaand leven leiden. Aristoteles is een stuk realistischer en erkent de werkelijkheid van ons leven als tragisch. Deugdzaamheid, het voeren van een voortreffelijk leven en de vorming van een voortreffelijk karakter is een kwetsbaar leerproces. De tragedies en de tragische waarden kunnen daarbij een voorbeeld zijn om de aard van de deugden te leren kennen. Het toeval en de hartstochten laten zich echter niet elimineren. Het streven naar rationele onafhankelijkheid zal daarmee voortdurend in strijd blijven. De filosofische traditie is bijna geobsedeerd door dit Apollinisch streven naar morele onafhankelijkheid en het teniet doen van “de macht van het onbeheerst toeval”[4] Pas Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche zullen de Dionysische krachten van de tragedies erkennen en de Hegeliaanse ‘Absolute Geist’ zijn plaats wijzen.

Een reflectie op toeval in de wetenschap en de rol van indeterminisme

Het geworstel met het begrip toeval en haar morele reikwijdte valt ook vanuit een (natuur)wetenschappelijke reflectie te benaderen. Klaas Landsman, mathematisch fysicus en hoogleraar in Nijmegen doet dat in zijn boek ‘Naar alle onwaarschijnlijkheid’ met als ondertitel ‘Toeval in wetenschap en filosofie’ [5]. Direct in de proloog van zijn boek is hij daar al duidelijk over. Het indeterminisme is niet meer weg te denken in de hedendaagse wetenschap. Naast onzekerheid behoort indeterminisme tot het fundament van het standaardmodel van de deeltjesfysica. Daarin is het ‘zuiver’ toeval ‘aantoonbaar’[6]:

“…in de zin dat bepaalde gebeurtenissen met de beste wil van de wereld (zoals alle kennis van alle natuurwetten en begincondities, alsmede optimale rekenkracht) niet te voorzien waren, en daarom ‘onverwacht’, ‘niet-veroorzaakt’ of ‘onverklaarbaar’ zijn…”

De evolutiebiologie en de moleculaire genetica leren ons dat de soorten en variaties in de evolutie niet ontstaan door strenge op oorzakelijkheid gebaseerde natuurwetten. Replicatiefouten brengen mutaties door toeval tot stand. De kracht van de ‘survival of the fittest’ mag dan oorzakelijk tot variaties en nieuwe soorten leiden maar de variaties in de overerving zijn onafhankelijk van de oorzaak en het effect van dat aanpassingsproces en berusten dus op een foutmechanisme en dus op toeval.[7]

Nogmaals toeval in het menselijk bestaan

Als toeval vanuit het oogpunt van de wetenschap een fundamentele factor is binnen de werkelijkheid, dan zal toeval ook wel binnen ons menselijk bestaan een rol van betekenis spelen. Het speelveld van de vrije wil wordt door toeval aanmerkelijk gereduceerd. Omdat ‘wil’ noodzakelijkheid vooronderstelt en ‘vrij’ daarmee in tegenspraak is, herbergt de uitdrukking ‘vrije wil’ al een paradox. In de praktijk van ons menselijke bestaan zijn daarmee niet alle keuzes van tafel geveegd. Ons handelen legt enerzijds een keuzepatroon bloot dat we deels zelfbewust sturen en daarmee sowieso moreel van betekenis is en anderzijds ingegeven is door onderbewuste driftmatige factoren die het ‘vrije’ van de keuzes behoorlijk inperken. In het laatste speelt toeval een rol omdat we het ervaren als iets dat ons overkomt. Het ontslaat ons echter niet bij voorbaat van de morele verantwoordelijkheid voor dat handelen.

De sprong van ‘vrije wil’ naar religie is vervolgens niet zo groot. Beperkt tot de christelijke religie kunnen we zeggen dat zij zich richt op een doel. Het voeren van een  leven dat planmatig alle mensen van goede wil in een hiernamaals bij elkaar brengt en daar de goeden van de kwaden scheidt. Zolang we in het ondermaanse verblijven is het doel, de zin of het waartoe van ons leven, het dienen van God om daarna in dat hiernamaals gelukkig te zijn.[8] Dat deze doelgerichtheid zich niet met toeval verdraagt mag duidelijk zijn.

Toeval als mysterie van het bestaan

In zijn epiloog concludeert Landsman dat hij ‘kiest’ voor toeval in de hele breedte van de werkelijkheid en ons menselijk bestaan. Na het bevragen van de grote wetenschappelijke ‘verhalen’ van de natuurkunde, evolutiebiologie en religie en het problematiseren van het begrip ‘vrije wil’, denkt hij dat de verwondering en fascinatie op geen andere manier overeind kan blijven, dan door het erkennen van het mysterie van het bestaan en dus het toeval.

Tenslotte

Zwoegend en ploeterend is het mogelijk om “…de werkelijkheid achter de verschijnselen te ontrafelen.”[9], maar dat is een continu proces waarin toeval een ‘fundamentele’ rol speelt. De niet-deterministische werkelijkheid van de kwantum mechanische microprocessen strekt zich uit tot de macro fysische verschijnselen van het heelal. Daarom zal ook het toeval voortdurend een rol blijven spelen binnen het menselijk handelen en onze ethiek. Ook al kunnen we geen enkele zin van het fysisch bestaan en haar evolutie aantonen, wil dat niet zeggen dat het daarom on-zin, in de betekenis van niet-zinnig is. Alleen, het grote verhaal is teruggedrongen tot de benepen ruimte van de onmiddellijke nabijheid van mijn persoonlijk bestaan waarin mijn persoonlijk moreel handelen wel zin en betekenis heeft in een vreedzame co-existentie met het onvermijdelijke toeval.


[1] Nussbaum, Amsterdam, 2006
[2] Nussbaum, Amsterdam, 2006 pagina 58
[3] Shakespeare, Macbeth (1603-1607), act 5, scene 5
[4] Nussbaum, Amsterdam, 2006 pagina 72
[5] Landsman, Amsterdam, 2018
[6] Landsman, Amsterdam, 2018, pagina 10
[7] Landsman, Amsterdam, 2018, pagina 11
[8] De eerste vraag van de catechismus; Waartoe zijn wij op aarde? Antwoord: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in het hiernamaals gelukkig te zijn. Na 1946 werd er ‘hier en…’ aan toegevoegd.
[9] Landsman, Amsterdam, 2018, pagina 230

Advertenties