Toeval en ons mensbeeld

door Denkerij®


Toeval en fouten in de biochemie

Waar we in de kwantumfysica te maken hebben met een fundamenteel objectief toeval[1], is in de deterministische klassieke mechanica het causaliteitsprincipe nog heer en meester. Op basis van de klassieke natuurwetten kunnen fysische processen van de materie beschreven worden en kan het gedrag van natuurkundige verschijnselen worden voorspeld. Zowel voor de chemie, atoomfysica, thermodynamica, mechanica enz. hebben we te maken met een berekenbare werkelijkheid zonder willekeurige of toevallige afwijkingen. Onze dagelijkse technologische werkelijkheid is voorspelbaar en betrouwbaar. In de biofysica daarentegen speelt het niet-berekenbare deel van de biologische  processen al wel een belangrijke rol in het begrijpen van de werking van organismen. Het fout-verschijnsel in de replicatie van cellen is een toevalsfactor die het streven naar een synthetische cel tot op vandaag hevig frustreert. Bert Poolman, biochemisch toponderzoeker, noemt het toeval dat genetisch identieke cellen tegengesteld gedrag kunnen vertonen. Tot voor kort was dat identieke gedrag nog een onbetwijfelbaar axioma in het bio-moleculair onderzoek. Toch beantwoordt hij de vraag of de biochemie de stap van dood naar levend kan maken met; já. Als reden geeft hij dat in de levende cel “alles besloten is in fysische wetmatigheden”[2]. Integendeel zou ik zeggen. Het is toch een paradox om te veronderstellen dat fouten in bio-moleculaire processen wetmatig zijn. Het zijn precies die fouten die het toeval in het gedrag van die genetisch identieke cellen toelaat.

Toeval als drijvende kracht

Het toeval is een uitermate ingewikkeld en verwonderlijk verschijnsel dat moeilijk te begrijpen valt. Het is een soort ingebouwde ommekeer, verschuiving, wending, dialectische dynamiek, vernieuwingskracht, chute of volta binnen de werkelijkheid. Wat logisch niet verwacht wordt, kan plotsklaps verschijnen. Binnen een berekening als 2×2 verschijnt opeens 5 als uitkomst[3]. Stel dat toeval een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de werkelijkheid, dat het de motor is die ontwikkelingen alle mogelijke richtingen opstuurt en dat toeval niet traceerbaar is binnen de kaders van ons begrippenapparaat. Is het dan ook niet voorstelbaar dat het toevalsperspectief  een wezenlijk onderdeel zou moeten uitmaken van ons mensbeeld en het menselijk gedrag? Het handelen is immers niet bij voorbaat geordend en heeft een geschiedenis van een opeenstapeling van fouten waardoor een mens wordt wat hij uiteindelijk is; namelijk schepsel van zijn ‘toevallige’ keuzes.

Als we dit aannemen laten we wel veel vallen. Alle mensbeelden die een teleologische strekking (inherente doelgerichtheid) hebben, kunnen worden afgeschreven. Wij mensen houden ons niet aan wetten. We permitteren ons keuzes die we op geen enkele manier kunnen verantwoorden. We handelen omdat het toevallig zo in ons opkomt. We zijn onberekenbaar. Misschien niet altijd, maar toch vaak genoeg om het structureel te kunnen noemen. De ambivalentie die onze lusten en hartstochten typeert, slingert ons heen en weer tussen verantwoord handelen en bevrediging en genot. Eigenlijk hebben we weinig om ons aan vast te houden. Een richtinggevende logaritmetafel waarop we kunnen aflezen hoe te handelen in een gegeven situatie, hebben we niet ter beschikking. Vooral in het sociale verkeer zijn er vaak alleen maar primitieve prikkels vanuit ons eigenbelang. We laten ons gelden. Ons ego is eenvoudig weg te groot.

Het nihilistisch mensbeeld van Dostojevski

Deze nihilistische schets treffen we ook aan bij FJodor Michajlovitsj Dostojevski (1821-1881) in het filosofische eerste deel van zijn ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ Sommigen zien deze tekst als de grondtekst voor al de latere romans van Dostojevski.[4] De frase ‘niets is waar’ met als logische implicatie ‘alles is geoorloofd’  komt in veel van zijn latere werk aan bod. Het is een frontale aanval op alle waarden. (Michel Houellebecq heeft dit ook tot het centrale thema van zijn werk gemaakt)  In de ‘Aantekeningen’ laat Dostojevski al zijn twijfels de vrije loop (‘niets is waar’) en richt zich tegen de geborneerde logica van de wetenschap. Waarom moet ik mij onderwerpen aan de berekeningen , de logaritmetafels, de natuurwetten, de almanak of wat dies meer zij? De mens zal niet meer aansprakelijk zijn voor zijn daden als hij zich voegt naar wat rede en wetenschap hem voorhouden. Als alles is uitgerekend waar zijn dan zijn heldendaden of avonturen? Waarom zou hij trouwens ophouden met het vrijwillig maken van fouten?[5] Hij heeft toch zijn wil en zijn grillen. Dat hij kiest om uit vrije wil te handelen is zeker niet vanuit slimme overwegingen. “Immers de mens is fenomenaal dom.”[6] Hij heeft geen behoefte aan een normaal en deugdzaam willen en die wil is ook niet gericht op verstandelijk beredeneerd voordeel.

“Het enige wat de mens nodig heeft, is: zelfstandig te beslissen wat hij wil, hoe duur die zelfstandigheid hem ook te staan zal komen en waartoe ze ook mag leiden.”[7]

In de voorafgaande pagina’s van de ‘Aantekeningen’, verzet het literaire alter ego van Dostojevski zich tegen de mechanisch handelende mens, het doener type. Daartegenover staat de denker, een mens met een verhevigd bewustzijn, die door de wetten van het bewustzijn tot inertie wordt gebracht. Hij denkt en doet niets. De normale mens, de spontane man van de daad laat zich tot stilstand brengen door de onmogelijkheid. Hij stopt voor de muur. Hij luistert naar de natuurwetten, de axioma’s van de wiskunde, het twee maal twee. Hij is verplicht om ze aan te nemen. Hij is daad-mens die een resultaat wil behalen en zich daarom onderwerpt. Maar hiermee kan de denker zich niet vereenzelvigen. Hij zoekt de verveling. Hij wil lijden. Hij wil twijfelen. Hij wil de muur als barrière doorbreken. Hij zoekt wel naar fundamentele reden, maar als hij die gevonden heeft zoekt hij weer naar de reden daarachter; ad infinitum.[8]

De daad-mens wil zekerheid. Handelen op basis van een grondslag, zodat hij in actie kan komen. Hij gedraagt zich daarbij rationeel en volgt de rede en de waarheid. Het is in zijn welbegrepen eigenbelang om dit pad te volgen. In deze classificatie van de mens ontbreekt iets volgens Dostojevski. De mens wil ook gewoon doen waar hij zin in heeft, zonder dat hij rekening houdt met wat zijn verstand en zijn eigenbelang hem voorschrijft:

“Je eigen ongebonden en vrije wil, je eigen dwaaste gril, je eigen fantasie,….kijk, dat alles is nu juist datzelfde belangrijkste belang, dat men over het hoofd heeft gezien, dat in geen enkele classificatie is onder te brengen en waardoor alle systemen en theorieën telkens weer in rook opgaan.”[9]

De vrije wil is niet onderworpen aan wetten en berekening ook al zou er een uitputtende logaritmetafel zijn waarop we alle handelen in alle situaties kunnen aflezen. De rede is slechts de rede, hoewel het toch ook een positief vermogen is. Het willen is de primaire uitdrukking van het hele menselijke leven. Het is het geheel van de menselijke natuur, waar het verstandelijke vermogen een onderdeel van vormt. Als de mens zich door de rede moet laten knechten, zal hij “opzettelijk krankzinnig” worden. Er is geen teleologische ordening met een welomschreven einddoel dat voldoet aan de twee-maal-twee-is-vier formule. Die formule is de hond in de pot: “…het begin van de dood.”[10] De formule is voor Dostojevski metafoor voor een strakke ordening van het leven, een onderwerpingsmechanisme, onverdraaglijk, een onbeschaamdheid, een spuug in het gezicht. Zouden we dan die formule toch moeten prijzen: “…dan moet ook gezegd worden dat twee-maal-twee-is-vijf ook een alleraardigst dingetje is.”[11]

De mens van Dostojevski die zijn vrije wil, zijn grilligheid en zijn onberekenbaarheid als hoogste goed poneert, dát wat hem tot mens maakt, werkt hij uit in zijn romans zoals ‘Misdaad en Straf’ waar het kwaad figureert in de figuur van Raskolnikov. ‘De gebroeders Karamazov’ is een verfijnde psychologische tekening van de karakters in een gezin van een vader en zijn drie zonen. De morele conflicten in de romans die voortkomen uit de grillen en hartstochten in de vorm van lusten, begeerten, driften en emoties zijn de uitwerkingen van het mensbeeld uit de ‘Aantekeningen’.

Tenslotte

Terug naar het toeval. Zoals hierboven al genoemd drukt het toevalsperspectief, de onberekenbaarheid van veel menselijk handelen, zwaar op het lot van de mens en is het van aanmerkelijke betekenis voor ons mensbeeld. Veel is niet te plannen. Gedrag, handelen en de gevolgen ervan worden stevig beïnvloed door toevalsfactoren. Wat veelal toegerekend wordt aan het ‘eigen’ handelen, als een verdienste van het ‘ik’ verdraagt een kritische screening vaak niet. Het meritocratie begrip kan na zo’n screening vaak op de helling. De mate waarin ‘mijn’ keuzes bijdragen aan ‘mijn’ lot blijken van een uiterst geringe omvang. Ik word wie ik ben niet door ‘mijn’ uitzonderlijke capaciteiten en competenties maar door toeval en geluk die massief mijn levensloop bepalen. Mijn identiteit blijkt welbeschouwd een narratief. Bovendien heb ik die capaciteiten en competenties zoals talent, intellect, doorzettingsvermogen, emotionele stabiliteit, sociale wendbaarheid, slagkracht, machtsstreven enzovoort, niet ‘zelf’ verdiend maar zijn ze mij toevallig bij geboorte gegeven. Ze kunnen ‘mij’ ook niet-gegeven zijn, zodat ik ze ook niet via welk ‘empowerment’ dan ook tot ‘mijn’ capaciteiten en competenties kan maken.  De sociale en morele implicatie van dit mensbeeld lijkt mij verstrekkend.


[1] Ook volgens Werner Heisenberg in ‘Toeval!, Hoe de kwantumfysica ons wereldbeeld verandert’ van Anton Zeilinger, Diemen 2005 pag. 44-48
[2] Volkskrant 3 maart 2019
[3] Vooruitlopend op de metafoor die Dostojevski geeft in zijn ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ waarover dadelijk veel meer. Amsterdam, 2018, 1864
[4] J. Goudsblom, ‘Nihilisme en Cultuur’, Amsterdam, 2003, 1960 pag. 43
[5] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 39
[6] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 40
[7] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 41
[8] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 28
[9] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 41
[10] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 50
[11] Dostojevski, Amsterdam 2018, pag. 51

Advertenties