De menselijke waardigheid

door Denkerij®

Volgens de grondwet

‘Alles van waarde is weerloos’.[1] Misschien is het niet gebruikelijk om een essay met een dichtregel te beginnen. Het gaat mij eigenlijk ook alleen maar om de woorden ‘waarde’ en ‘weerloos’. In een van de grondwetten van de recente geschiedenis wordt ook naar ‘waarde’ verwezen. Artikel 1 van het Duitse ‘Grundgesetz’ van de Bondsrepubliek van 1949  luidt: „Die Würde des Menschen ist unantastbar.“. In de volgende zin wordt verwezen naar de weerloosheid van die waarde; “Sie zu achten und zu schützen ist Verpflichtung aller staatlichen Gewalt.“ De staat moet al zijn middelen inzetten om de kwetsbaarheid van die waarde te beschermen.

Waardeverschillen

Over welke waarde hebben we het hier? Ik denk over de onaantastbare waarde van een mens ongeacht alle andere kenmerken die hij of zij heeft. Waar moet je van uitgaan om die beschermwaardigheid als 1e artikel van alle andere wettelijkheid van de staat voorop te stellen? Een gemeenschap of staat zegt Aristoteles (384-324 v.C.), vormt zich als een ‘huishouden’; een gemeenschap zoals in een gezin. In een gezin dat wordt gekenmerkt door goed vaderschap (bonus pater familias), krijgen we allemaal op dezelfde leeftijd evenveel zakgeld, dezelfde aandacht, dezelfde mogelijkheid tot onderwijs, enzovoort. De verschillen in waarde ontstaan pas buitenshuis als blijkt dat de een toevallig over talenten beschikt die de ander niet heeft en die daar als economische waarde een betere prijs opleveren. Buitenshuis bestaat dus een andersoortige moraal en ethiek, niet gebaseerd op een morele standaard zoals in het huishouden van het gezin waar ieder een gelijke waardigheid en waarde heeft. Die gelijkheid beschermt ook het weerloze of minder weerbare gezinslid tegen een ongelijke verdeling, zodat hij of zij in zijn/haar (economische) waarde wordt gelaten, gerespecteerd en beschermd. Zijn waardigheid is daar op die manier onaantastbaar. Waarom verandert dat dan buitenshuis?

Waarde als ethisch beginsel

Niet iedereen is van nature weerbaar en dus in staat zijn toevallige talenten zo te verkopen dat het prijsmechanisme van een vrije markt hem vanwege zijn ‘economische-waarde-potentie’ beter beloont. Vanuit het grondwettelijk principe van gelijkwaardigheid ‘verdient’ niemand het om beter te worden beloond dan een ander ‘gezinslid’. Uitgaande van deze gezinsmetafoor dient iedereen te delen in de ‘economische-waarde-potentie’ van zijn gemeenschap. Het eigendom van het BBP is in juridische zin weliswaar privé, maar ook een toevallige constructie, die evengoed anders kan worden opgetuigd. In ethische zin lijkt mij gelijkwaardigheid of het van gelijke waarde zijn een beter uitgangspunt voor rechtvaardige eigendomsverhoudingen.

Binnen allerlei staatkundige verhoudingen door heel de ideeëngeschiedenis, van de ‘Politeia’ van Plato (427-347 v.C.) via de ‘Politika’ van Aristoteles tot de modernste grondwet, zijn eigendomsverhoudingen in de praktijk altijd onrechtvaardig gebleken. De rechtvaardigheid als ethische idee van de politieke filosofie heeft het steeds moeten afleggen tegen het instinct en de drijfveer tot overleven. Wie het meeste bezit heeft de grootste kans om te overleven. Hoe het zou moeten zijn in ethisch opzicht, legt het af tegen brute kracht of geslepenheid die praktisch permanent oorlog voeren, om zich zoveel mogelijk resources toe te eigenen. (het ‘ought-is’ dilemma)

Waarde als verdienste; het meritocratisch model

In onze moderne samenleving en zeker wat de laatste 50 jaar betreft is er een verregaande legitimatie opgetuigd voor een ongebreidelde bezitsaccumulatie. Een sterk argument voor de rechtvaardiging van het bezit van de oligarchen is het meritocratisch beginsel. Een recente publicatie onder de titel ‘Ik heb het verdiend’[2], geeft wat meer inzicht in de meritocratische constructie[3]. Iedereen die succes heeft rekent zich dat succes zelf toe, zonder te beseffen dat dit hem in hoge mate ‘toevallig is toegevallen’. Dat wat zelfgenoegzaam als eigen verdienste te boek wordt gezet, is vaak het resultaat van een toevallige samenloop van omstandigheden. Als je het geluk niet aan je zijde hebt, kan een gelijk talent en een gelijke arbeidsinzet voor de één wel tot succes leiden terwijl de ander er van verstoken blijft. Bovendien bestaat er geen enkel protocol om zelf je talenten of eigenschappen te vergaren. Je hebt ze allemaal ‘gekregen’. Het is een interessante filosofische en juridische vraag of dat wat je gekregen hebt eigendom is van de ontvanger of ‘entitled’[4] blijft aan de schenker. Als het laatste het geval is, komen de ouders als eerste in aanmerking om alles te genieten wat mijn ‘zelf ‘ voortbrengt aan succes. Een soort omgekeerde vererving dus. Daarnaast is dan de hele biotoop van familie, geliefden, vrienden, leraren en anderen die van invloed zijn geweest op je ‘nurture’, deelgenoot in de opbrengst van je talenten en eigenschappen omdat ze in die sociale context gevormd zijn. Dus vanwaar zelfingenomen met wie je bent en wat je bereikt hebt en je ‘entitlement’ op de opbrengsten? In veel oosterse filosofieën is het ‘zelf’ trouwens de grote steen des aanstoots. Wie zijn ‘ego’ weet te reduceren tot niets, treedt pas het Nirwana[5] binnen en bereikt zijn verlichte staat. Van Arthur Schopenhauer (1788-1860)[6] heb ik geleerd dat het ‘zelf’ in essentie niet begrepen moet worden als ‘dit ben ik’ maar als het volstrekt non-dualistische en universele ‘dat ben jij’[7]. Interessant om jezelf te begrijpen als een bacterie, worm, rivier, ster, medemens of als oerknal.

De meritocratie past alleen in een mensbeeld gebaseerd op de overtuiging dat er een rechtvaardiging is om over een groter deel van de ‘resources’ te beschikken dan de rest van de gemeenschap of de biotoop. Succes is toch een keuze? Filosofisch ben ik die rechtvaardiging nog niet tegengekomen. In de dagelijkse praktijk werkt echter nog steeds het recht van de sterkste; iemand die toevallig voorzien is van een verzameling talenten en eigenschappen waardoor hij kan beschikken over de middelen om zich in het bezit te stellen van méér. Zolang je dit weet te legitimeren bijvoorbeeld doordat een elite het legitimatieproces via lobby en eigen inbreng naar zijn hand zet, is succes gerechtvaardigd. Tenzij later blijkt dat tijdens het proces toch onrechtmatige stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld in de VS waar de prairies in bezit zijn gekomen van de kolonisten door de oorspronkelijke bewoners uit te moorden.

De meritocratische ommekeer

Wat gebeurt er nu als we het meritocratisch beginsel als ongeldig verklaren en een verdeling van onze resources baseren op het ‘luchtprincipe’: lucht is van iedereen, voor iedereen. Misschien gaat dit crypto-communistisch beginsel wat ver voor onze laat-kapitalistische samenleving, maar er is een trend te bespeuren om een draai van 180° te maken. Alexander Schimmelbusch heeft een roman[8] geschreven vanuit het perspectief van een zeer geslaagd financieel expert. Victor, de protagonist van de roman, heeft meegewerkt aan een financieel systeem dat er in essentie op gericht is om financiële muppets[9] in ondernemersland ertoe te verleiden, hun financieel beheer over te laten aan investeringsbanken. Die banken verzonnen allerlei bedrijfsstrategieën waarvoor zij financieringen aanboden. Ze begonnen met het idee van groei door overnames. Vervolgens werd het afstoten en terugvallen op kernactiviteiten. Nu berust de winstmaximalisatie in hoofdzaak op het manipuleren met vermogenstransacties. In die hele keten spelen de investeringsbanken de eerste viool en sturen ze de kapitaalstromen via hun ‘desks’ zodat er veel geld aan hun strijkstok kan blijven hangen. Victor beschikt over een privévermogen van 100 miljoen euro, dat hij als bankier van een eigen investeringsbank heeft ‘buit’ gemaakt op zijn clientèle. Victor ervaart echter weinig verdieping in zijn leven. De genietingen van zijn rijkdom bestaan uit: een reeks perverse prikkels op het gebied van seks (overspel met de buurvrouw), persoonlijke accessoires (een e-Porsche, een peperduur horloge), het consumeren van exorbitant eten en drinken (speciale peking eend met een fles Richebourg van € 2400), enzovoort. De leegte en verveling die deze vervreemding hem brengt, beweegt hem ertoe een politiek traktaat te schrijven in de vorm van een pitch. Daarin geeft hij een recept om Duitsland om te bouwen tot een gigantisch investeringsfonds á la Blackrock met een vermogen van 50.000 miljard Weltmark. Alle investeringen door Duitsland – blijkt later in de roman – zullen vanuit een superministerie door hem worden geleid. Duitsland gaat een internationale industriepolitiek voeren die de Duitse staat tot volwaardig concurrent maakt van andere superinvesteerders zoals China en de Arabische staten. Hier komt de periscoop van de non-fictie boven water. Het Duitse hedgefonds zal onder andere worden gefinancierd door alle privévermogens in Duitsland te maximeren op 25 miljoen euro.

De haalbaarheid van een paradigmaverschuiving

De draai van 180° zit hem in het afscheid van de politiek van het vrije markt denken gestuurd door de ‘invisble hand’ van Adam Smith. De staat als superondernemer beschikt weer over alle revenuen van het BBP. Haar industrie- en inkomenspolitiek stelt haar in staat om naast investeringen ook de verdeling van de welvaart direct te bepalen. Want de aandeelhouders van het GINA (German Investment Authority) zijn de burgers van de Duitse staat. Zij zullen delen in het dividend van GINA. Daarom noemt Schimmelbusch zijn romanfiguur ook een populist die niet echt politieke idealen heeft. Een idealist die een rechtvaardige verdeling nastreeft moet zijn overtuiging waarmaken. Victor is een opportunist.[10] De paradigmaverschuiving die de meritocratie beëindigt en de elites terugwerpt op een vermogensgrens is ontegenzeggelijk een egalitair ideaal dat al sinds Plato wordt beschreven. De haalbaarheid is niet helemaal ondenkbaar. Onder andere politieke condities kennen de Chinese staat en de Arabische olielanden al condities voor superinvesteringen en voor daaruit voortvloeiende verdeling van de welvaart. Het boek van Schimmelbusch is fictie, maar wil Europa overleven in het geopolitieke machtsspel, zou een EINA en een gedegen industriepolitiek het overwegen waard zijn.

Tenslotte

Ik begin over waarde en weerloos en kom na wat omzwervingen uit bij meritocratie en door de staat gestuurde investeringsfondsen. Waar ik uit zou komen wist ik wel zo ongeveer, maar hoe mijn begin te verantwoorden? Is het filosofische fictie om te pleiten voor het veiligstellen van alles wat weerloos is? Is het fictie om bij voorbaat een onaantastbare waarde toe te kennen aan de burger van een staat als mens? Wat is daarvan de filosofische consequentie? Kan dat bijvoorbeeld zijn dat geen enkele burger in armoede hoeft te leven of is dat al een praktische consequentie? Tast armoede de waarde van een mens aan? Stel dat dit zo is, kunnen we dan op basis van het primaire grondwetsartikel over de aan alles voorafgaande waardigheid van de mens, dat functioneert als axioma van een heel rechtsstelsel, afleiden dat het toestaan van armoede paradoxaal is? Als het praktisch gezien mogelijk is om vermogen op 25 miljoen Euro te maximeren, moet het omgekeerd toch ook mogelijk zijn om inkomen zodanig te verhogen dat iedere burger op een inkomen van minimaal 1½ x modaal[11] kan rekenen? Oh ja, dat is waar ook, het boek was een roman; fictie dus.

[1] Lucebert, uit het gedicht ‘De zeer oude zingt’.
[2] Eelco Runia, Trouw 30 maart 2019
[3] Het meritocratisch principe: ‘IQ+inspanning=wat iemand waard is’
[4] ‘Entitlement’ of de rechtmatigheid van eigendom is een veel besproken onderwerp in de sociale filosofie en rechtvaardigheidstheorie, bijvoorbeeld bij John Rawls en Robert Nozick
[5] In de boeddhistische traditie betekent het woord Nirwana ook ‘niets’ in de betekenis van de verlossing van de geest of ziel uit de keten van wedergeboortes door op te gaan in een volstrekte leegte.
[6] A. Schopenhauer, ‘Über die Grundlage der Moral‘, 1841
[7] In het Sanskriet ‘tat twam asi’. Het ‘dat ben jij’ verwijst naar het universele aspect van de ziel die zich in alle levensvormen en zelfs in materiële voorwerpen kan uitdrukken.
[8] ‘Opperduitsland’ 2019, ‘Hochdeutschland’ 2018
[9] Term die in de dealingrooms van de internationale banken rond Wallstreet werd gebruikt voor ondernemers om het vermogen van hun ondernemingen af te romen door er inferieure financiële producten aan te slijten.
[10] Volkskrant, 8 maart 2019, interview met Alexander Schimmelbusch door Koen Haegens.
[11] Rekenkundig onzin natuurlijk, maar ik weet even geen betere

Advertenties