De ethiek van het antropoceen

door Denkerij®

De vernieuwende ethiek van Schopenhauer

Sinds enkele maanden houd ik mij intensief bezig met de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860). Hij leefde tijdens de woelige jaren van de Duitse filosofie die hoogtij vierde met het idealisme van Kant, Hegel, Fichte, Schlegel enz. waarin denken en kennisleer de boventoon voeren. Ideeën bepalen de werkelijkheid. Alleen in bewustzijn en geest heeft het kennen zijn thuis. Schopenhauer is een buitenbeentje. Zijn metafysica propageert een werkelijkheid of wereld die doortrokken is van een ‘Wil’ als fundamentele en alles sturende structuur. Die ‘Wil’ bepaalt ook onze voorstelling van de wereld. Nadat hij zijn hoofdwerk ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ in 1818 heeft gepubliceerd, schrijft hij in 1841/1860 ‘Über die Grundlage der Moral’. In dit werk gaat hij in discussie met Immanuel Kant (1724-1804) over diens ethiek. Hij verwerpt Kants categorische imperatief die zegt dat het ethisch en moreel handelen van de mens alleen de toets der kritiek kan doorstaan, als men handelt vanuit een streng plichtsbesef. Je hebt de plicht om zodanig te handelen dat iedereen ook op die manier mag en kan handelen. Je mag dus niet liegen omdat je niet kunt willen dat iedereen liegt. Bovendien moet je handelen erop gericht zijn dat je je medemens altijd als doel ziet en nooit als middel.

Het compassiebeginsel

Schopenhauer vindt dat de categorische imperatief van Kant in de praktijk onhaalbaar is vanwege zijn theoretische rigiditeit. Als je bijvoorbeeld wordt bedreigd, mag je best liegen om je vege lijf te redden. In zijn ‘Over de grondslag van de moraal’[1] ontwerpt Schopenhauer een ethiek die is gebaseerd op het compassie beginsel[2]. De grondregel en fundament voor het handelen is bij hem ‘Doe niemand kwaad en help iedereen’ Deze morele drijfveer komt niet tot stand op basis van een kentheoretische afleiding zoals de categorische imperatief van Kant, maar is het resultaat van een empirische vaststelling:

“In het voorgaande heb ik bewezen dat de morele drijfveer een feit is en heb ik ook aangetoond dat alleen hieruit onbaatzuchtige rechtvaardigheid en echte mensenliefde kunnen voortkomen, de twee kardinale deugden waarop alle andere gebaseerd zijn”[3]

Schopenhauer is nog niet helemaal tevreden met zijn bewijsvoering. Om het geheel van zijn ethiek nog grondiger te funderen is er een beginsel nodig dat los staat van de empirie; een metafysica van de ethiek. Want zegt Schopenhauer, mensen zijn ook in staat vanuit een volstrekt egoïstisch leefregel te leven: ‘na mij de zondvloed’ of het Latijnse gezegde ‘Laat de wereld maar ondergaan, als ik maar gered word’ (Pereat mundus, dum ego salvus sim). Als ik het dadelijk ga hebben over hoe het bestaan van de mens te maken heeft met zich ontwikkelende ecologische catastrofes en hoe hij zich daar in ethisch opzicht toe zou moeten verhouden, kom ik daar nog op terug.

Het fundament van de compassie

De ervaring zegt Schopenhauer geeft genoeg stof om het compassie beginsel aan te nemen, maar blijft het ook overeind buiten die ervaring om? De goede mens bekommert zich altijd om het niet-ik, (de wereld, andere mensen), dat hij gelijk stelt aan zijn eigen ik en dat hij desnoods opoffert om anderen te redden. De reden hiervoor is dat het ik zichzelf herkent in het niet-ik,

“…dat het ene individu in het andere direct zichzelf, zijn eigen ware wezen herkent.”[4]

In zoverre het individu mens is herkent het zichzelf als mens in het andere individu. Dit is de metafysische basis van de ethiek buiten de ervaring van veelheid en verscheidenheid die zich in de zintuigelijke aanschouwing manifesteert. Zo is het ook de basis van de compassie en is de compassie de uitdrukking van het zich herkennen van het ik in het niet-ik; de ander. Deze wijsheid is universeel en staat en los van theoretische inzichten en is onmiddellijk gegeven aan de nobele en eenvoudige mens. Die wijsheid staat dus los van iedere intellectuele voortreffelijkheid. Schopenhauer benadrukt dat het ik-zijn en dus ook jij-zijn als uitdrukking van het universele zijn, in allerlei filosofieën en religies een standaard  metafysisch inzicht is. In de Upanishads van het hindoeïsme vinden we ook dat de veelheid van de zintuigelijke aanschouwing slechts schijn is, een illusie. Al het geïndividueerde heeft als Atman één bron; Brahman. Deze wereldgeest is de oergrond van al het ‘zijn’. Naast het hindoeïsme/boeddhisme is dit inzicht terug te vinden in de leer van de Soefi’s, bij Pythagoras, Parmenides, de neo-platoonse school, deels bij Spinoza, enz. Schopenhauer verwijst in zijn ‘Grondslag van de moraal’ naar een frase in de Upanishads. Elke zintuigelijke aanschouwing geeft twee beelden; een veelheid van afzonderlijke dingen en de éénheid van het geheel van de aanschouwing waar ik als beschouwer onlosmakelijk toe behoor. De frase in het Sanskriet ‘tat tvam asi’; ‘dat ben jij’, drukt dat uit.

De ethiek van het antropoceen

Voordat Schopenhauer en ik nu worden versleten als wazige mystici, lijkt het mij goed om te benadrukken dat hij zijn metafysica van de compassie volledig baseert op de door bijna niemand betwijfelde kenleer van Kant uit ‘die Kritik der reine Vernunft’  en haar daarmee ook streng onderbouwt. Op die metafysische compassie berust elke onbaatzuchtige deugd, elke goede daad, elk appél aan zachtmoedigheid, elke mensenliefde en elke genade voor recht.[5] Ik laat Schopenhauer nu rusten en kom er dadelijk op terug als ik in ga op de ethische consequenties van de ecologische catastrofes van vandaag.

In 2000 lanceerde de Nederlandse meteoroloog en klimaatwetenschapper Paul Crutzen (geb. 1933) de term antropoceen als geologisch tijdvak. In dat tijdvak is de mens (antropos) een bepalende factor geworden voor het ecosysteem. Zijn invloed op de planeet als de leefzone van alle biologische levensvormen komt het onaangetaste voortbestaan van de biosfeer op zijn zachts gezegd niet ten goede. Het ziet er naar uit dat de mens in hoge mate schade toebrengt aan zijn leefmilieu. Na 1950 is dat volgens de huidige wetenschappelijke stand van zaken exponentieel toegenomen. Er is sprake van een cascade aan catastrofes: bevolkingsgroei, mobiliteit, CO2, CO4, vleesconsumptie, vervuiling, afname biodiversiteit, temperatuurstijging, zeespiegelstijging, 6e extinctie, enz. De oorzaak is niet extern – bijvoorbeeld de inslag van een meteoriet – maar lijkt te worden veroorzaakt door een van de soorten van het ecologische systeem zelf; de mens.

Klimaat en leefwijze

In het boek ‘Dwalen in het antropoceen’[6] beschrijft de filosoof René ten Bos (geb. 1959) dat de implicaties van het antropoceen op allerlei manieren verstrekkend kunnen zijn. Het gaat er daarbij niet om of de klimaatverandering uitsluitend aan de mens is te wijten. Ik laat iedere schuldvraag in dit essay volledig buiten beschouwing. Ieder ecostalinisme of ‘how dare you’ is taboe. Het gaat er om dat we als mondiale samenleving geconfronteerd worden met problemen die onder andere door het klimaat worden veroorzaakt en die te maken hebben met onze leefwijze en die we moeten oplossen. Dat het mogelijk is dat het 11.000 jaar oude holoceen als interglaciaal misschien slechts een afwijking laat zien in het temperatuurverloop ten opzichte van andere geologisch traceerbare periodes tussen de ijstijden, doet niet ter zake.  Het zijn ‘deep time’ verwijzingen naar geologische tijdvakken die in geen verhouding staan tot de aanstormende catastrofes waar onze generatie en de eerstkomende generaties van onze kinderen en kindskinderen mee moeten zien om te gaan. De vraag die zich opdringt ligt op het vlak of we over de mogelijkheden beschikken om de ‘rommel’ die we tot nu toe op de planeet opstapelen nog kunnen opruimen of er op zijn minst voor kunnen zorgen dat er niet meer bijkomt.

Problemen en oplossingen

Het antwoord op die vraag ziet er niet erg hoopgevend uit. De middelen van geo-egineering zijn zeer beperkt. We moeten een trend ombuigen in een samenleving die gewend is om de planeet te exploiteren. Ons economisch systeem heeft de aarde als grondstof nodig maar gebruikt die grondstof niet duurzaam. Onze productiedrif en consumptiedrift is oneindig veel sterker dan ons gezond verstand. Daarbij treffen we het op dit moment niet met de intelligentie van politieke leiders en kiezers, hoewel dat natuurlijk nooit anders is geweest. De exponentiele curve waarover ik het net had, zegt in cijfers dat de biomassa in onze wereld bij de gewervelde dieren voor 65% uit vee bestaat om 32% menselijke biomassa te voeden en er in het wild nog maar 3% biomassa te vinden is. Als het op consumptie aankomt verorbert 6% van de wereldbevolking 34% van die biomassa. Die 6% woont in de VS.  In Azië woont 61% van de wereldbevolking, goed voor slechts 13% van de consumptie. Daarnaast is niet alleen ons consumptief gedrag exponentieel gestegen sinds 1950 maar ook: CO2-uitstoot, ouderdom, watergebruik, insectensterfte, afval en de rest van de reeks die hierboven al is genoemd.

Kunnen we de gevolgen hiervan technologisch oplossen? Geo-engineering gaat niet helpen. We kunnen nauwelijks een adequate weersverwachting geven, laat staan met ingenieurskunst het weer bepalen. Kunnen we de CO2-uitstoot beperken door een transitie naar een non-fossiele brandstof economie zo snel mogelijk te bewerkstelligen om de klimatologisch opwarmingstrend te doorbreken? We weten niet of dat gaat werken. De ecologische data zijn veel te complex om er met onze competenties als ingenieurs een andere draai aan te geven. We bevinden ons in een pliocene wanhoop (plioceen; de tijd dat de mens op de planeet is) omdat de mens sinds zijn bestaan nooit goed heeft geweten wat zijn ecologische rol is. De mens weet niet wie hij was, is of zal zijn. Hij dwaalt door zijn antropoceen en verdwaalt voortdurend. De wetenschap heeft de menselijke kennis gereduceerd tot eenduidigheid omdat op die manier onze wereld kan worden geordend en we onze leefomgeving taxonomisch kunnen indelen in soorten en deeltjes en weet ik niet wat allemaal. De wet van de uitgesloten derde is een basiswet in de wetenschap. Alles is digitaal in de zin van waar of onwaar. Voor filosofen is de verlokking van de meerduidigheid, het denken door paradoxen en antinomieën heen, altijd zeer groot geweest. Pas dan is er een ontsnapping door een ‘wormgat’ mogelijk en ontstaat er mogelijk een synthese.

Tot slot

Wat staat ons dan te doen? Kunnen we de catastrofecascade misschien niet anders keren dan door een revolutionaire verandering in onze collectieve mindset aan te brengen en ons streven naar welvaart in een streven naar welzijn keren? Met deze vragen keer ik terug naar Schopenhauer. Wat fundamenteel ontbreekt in onze mindset is een ethisch perspectief op onszelf en de wereld. Dat perspectief kan nooit worden opgelegd. Het is iets waar we in vrijheid naar toe zouden moeten kunnen bewegen. Een andere kijk op onszelf waarin we het zelf niet begrijpen als individu dat een afgescheiden positie kan innemen in zijn biotoop, lijkt mij een veelbelovende richting; het ‘tat tvam asi’ van de Upanishads. Ons handelen neemt dan een wending en vertrekt dan vanuit het compassie beginsel dat onvermijdelijk gelijk staat met verantwoordelijkheid. Het lijkt er met de haren bijgesleept en zwaar aangezet, maar de formule is toch; compassie=verantwoordelijkheid zoals e=mc2.


[1] Amsterdam, 2010
[2] Ik gebruik compassie omdat de term ‘Mitleid’ van Schopenhauer door de kritiek van Friedrich Nietzsche van betekenis is veranderd.
[3] O.c. pagina 171
[4] O.c. pagina 181
[5] O.c. 182
[6] Amsterdam, 2017