Denkerij®

Toegepaste filosofie voor mensen, het bedrijfsleven en organisaties

Maand: november, 2019

Duurzaamheid en economische groei

De ziekte van de biosfeer

Duurzaamheid is een containerbegrip. In dit essay vernauw ik het begrip duurzaamheid tot een begrip dat gelieerd is aan een duurzame economie of nog specifieker aan een duurzame economie die groeit. Veel wat ik daarover te zeggen heb komt voort uit het denken van Kate Raworth. Zij heeft in 2017 een boek gepubliceerd, getiteld ‘Donut Economie’[1]. Onze economieën lijken om verschillende redenen in verval. Dat verval is nu in 2019 nog niet direct merkbaar. Het lijkt meer op een ongeluk in slow motion. De biosfeer van de aarde kampt met ziektebeelden:

klimaatverandering, verzuring oceanen, chemische vervuiling, stikstof en fosfor verzadiging, zoetwateronttrekking, grondconversie, vermindering biodiversiteit, luchtvervuiling, aantasting ozonlaag.

De diagnose van de ziekte is nog niet in alle gevallen eenduidig gesteld. Het lijkt een beetje op een virale infectie. Niet alles en iedereen is er door getroffen, maar het heeft de kenmerken van een epidemie die bestreden moet worden, wil ze niet uitgroeien tot een pandemie. De antistoffen die daar voor nodig zijn, kunnen een enorme impact hebben op ons economisch handelen. De medische metafoor kan ik nog doortrekken naar de eed van Hippocrates. Als we te maken hebben met een ziekte, moeten we optreden als arts en die ziekte behandelen. We mogen de patiënt daarbij geen schade berokkenen, we moeten voor hem zorgen, zijn gezondheid bevorderen, zijn lijden verlichten, hem goed informeren, zijn leven en waardigheid eerbiedigen.

Het economisch systeem als ziekmaker

De oorzaak van de infectie van de biosfeer is terug te vinden in het economisch handelen van de mens. Het ontbreekt hem aan voldoende ethische uitgangspunten om zich te verantwoorden, zowel bedrijfsmatig als politiek. De planetaire samenleving lijdt onder het economisch handelen van vooral de geïndustrialiseerde landen. Het economisch handelen legt geen rekenschap af over alle gevolgen ervan. Een van die gevolgen is de vervuiling die het veroorzaakt. De economische theorie noemt dat externaliteiten. Het gebeurt nu eenmaal. Een soort ‘collateral damage’. Maar die vervuiling is wel van grote invloed op de biosfeer en komt tot uitdrukking in klimaatverandering. Politiek en bedrijfsleven beloven de temperatuurstijging voor 2050 terug te brengen tot onder de 2 graden. Daar wordt niet op geacteerd. De laatste berekeningen laten een stijging zien tot 3,4 graden als de huidige trend van co2 uitstoot zich voortzet. De gevolgen – ook economisch – zijn gigantisch als de zeespiegel daardoor aanmerkelijk stijgt. Veel leefgebieden zullen overstromen. De gevolgen zijn dus planetair. In de politiek tellen vooralsnog alleen de nationale belangen. Het economisch systeem zoals het zich in 200 jaar industrialisatie heeft ontwikkeld, kan op korte termijn niet drastisch worden gewijzigd. Het ontbreekt ons aan de gereedschappen om systemen zoals een economie volledig te beheersen. We kunnen niet van de ene dag op de andere haar koers wijzigen. Als we goed naar de eigenschappen van het economisch systeem kijken, kunnen we die wel aanpassen of herontwerpen. Een van de opties is om de wereldeconomie regeneratief van karakter te maken. Dat betekent dat de productie van goederen zodanig wordt ingericht dat alle stappen in de productieketen klimaatneutraal, circulair en op hergebruik van grondstoffen zijn geënt. Dit betekent een zodanige aanpassing van het huidige economisch groeimodel, dat daarmee elke voorafgaande revolutie tot een schlemielige modificatie wordt gedegradeerd. De noodzaak tot aanpassing en de termijnen kunnen in twijfel worden getrokken, zelfs wetenschappelijk in twijfel worden getrokken. Wat niet in twijfel kan worden getrokken zijn de feiten zoals ze zich tot nu toe hebben voorgedaan. Op basis daarvan rust er een plicht op de mens zijn verantwoordelijkheid te nemen en een plan te ontwikkelen dat voorziet in ethische uitgangspunten voor de herinrichting van het economisch model van de wereldeconomie. Die plicht gaat vooraf aan een juridisch en wettelijk kader en berust op het compassiebeginsel van verantwoordelijkheid. Hoewel het compassiebeginsel een morele aanname is, noodzakelijk om de rest van de kudde in stand te houden, kun je het misschien uit egoïstische motieven ook op jezelf van toepassing verklaren. Het is in je welbegrepen eigenbelang de feiten zoals ze zich tot nu toe voordoen te erkennen, om misschien je eigen vege lijf maar zeker dat van je kinderen en kleinkinderen te redden.

Een kritische kijk op het bbp-model

Laat ik afstappen van de morele en ethische claims die het ziek-zijn van de biosfeer oproepen en overgaan tot een analyse van het model van de wereldeconomie en in het bijzonder van de economie van de geïndustrialiseerde landen. Die economieën zijn, ook al beschouw je het moreel-neutraal, oorzaak van de vervuiling van de biosfeer. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw hanteren we voor de groei van de economie het model van de berekening van het bbp van de nationale economieën. De groei van het bbp is sinds die tijd sterk toegenomen en heeft zich sinds de jaren vijftig exponentieel ontwikkeld.

Dit voorbeeld laat zien hoe exponentieel de groei van het bbp in Nederland verloopt. Voor de andere westerse landen is dit vergelijkbaar. Die groei is niet klimaat-neutraal verlopen. Bekende statistieken laten zien dat de temperatuurstijging op aarde ook exponentieel verloopt. We nemen aan dat de twee statistieken tot elkaar te herleiden zijn. (en zien dus af van het natuurlijk verloop van temperatuurstijgingen in geologische tijdperken). Ik stel vast dat groei van het bbp en duurzaamheid tot nu toe geen succesvolle combinatie zijn gebleken. In de periode sinds de jaren vijftig hebben zich de ‘ziektes’ aangediend die ik hierboven al heb genoemd: klimaatverandering, verzuring oceanen, chemische vervuiling, stikstof en fosfor verzadiging, zoetwateronttrekking, grondconversie, vermindering biodiversiteit, luchtvervuiling, aantasting ozonlaag.

Is er toch duurzame groei mogelijk en wat betekent dat voor de groeicurve van het bbp? Het is duidelijk dat de huidige berekeningsmethode van het bbp een valse voorstelling van de toename van onze rijkdom en inkomen geeft. Alleen het feit dat de externaliteiten op geen enkele manier in de berekeningen zijn meegenomen, duidt er al op dat er ontzettend veel ‘kosten’ zijn blijven liggen. Bij de kosten van het productieproces in de geïndustrialiseerde landen is geen berekening voor de vervuiling in het bbp verdisconteerd. Er is boekhoudkundig gesjoemeld. Bovendien is het bbp-model alleen op korte termijn interessant. Het is een historisch vergelijkingsmodel. Een soort balans van een nationale economie als bedrijf. Het zegt niets over de groei van het bbp op langere termijn. Toch is het bbp en de groei daarvan gaan functioneren als de thermometer van de economie van iedere samenleving. Geen groei of recessie is volstrekt onacceptabel. We zijn financieel, politiek en maatschappelijk verslaafd aan een groei van het bbp, zegt Kate Raworth[2]. Als de groei van het bbp afvlakt en de exponentiële curve zou overgaan in een s-curve omdat bijvoorbeeld de kosten van de ‘ziektes’ daadwerkelijk worden verdisconteerd, dan hebben we te maken met een radicale transformatie van de financiële, politieke en maatschappelijke structuren van de samenleving. Een aangepast bbp-model laten zien als lange termijn ontwikkeling met de kosten van de externaliteiten, opent een doos van Pandora. Geen enkele econoom of beleidsmaker durft dat aan, maar binnenskamers bij IMF, OESO, Centrale Banken, VN, enz. is het wel degelijk een issue.

http://www.clicks4you.nl/schizofrenie/images/donuteconomie/GroeicurveDe%20eersteeconomen%20erkendenwatmoderneeconomenveronachtzamendateconomischegroeieenlimietkent.gif

Een bestendige groene economie wordt lastig

Het bbp én groei lijkt – met op de achtergrond de ecologische voetafdruk die onze economieën produceren – een uitdaging. Kan een samenleving met een hoog inkomen en vermogen het anders realiseren? Kan die samenleving bloeien zonder te groeien? Kunnen we stoppen met rijker worden, zonder dat als crisis te ervaren? Kan de exponentiële curve van groei omgebogen worden in een s-curve van een bestendige economie en samenleving? Waar bevinden we ons nu op de groeicurve? Moeten we al rechtsaf of kunnen we nog doorgroeien? Kunnen we gebalanceerd groeien in de wereldeconomie door de groei in de hoog inkomen landen aanmerkelijk te temperen om in de midden- en laag inkomen landen nog wat ruimte voor groei te bieden? Het zijn open vragen met een hele trits van mogelijke antwoorden. Een van die antwoorden kan zijn dat de hoog inkomen landen het op redelijk korte termijn zonder groei moeten doen. Dat betekent dat 70 jaar consumentisme zijn Waterloo vindt. Daarvoor in de plaats zou dan een regeneratieve economie komen. Grondstoffen hergebruiken, recyclen, circulair produceren, statiegeld op ieder product, vervuiling minimaliseren of uitbannen, overgaan naar een bedrijfsmodel dat stakeholders boven shareholders plaatst. Een economie die evengoed kan floreren maar niet meer groeit. Kapitaal, innovatie en mode op hun retour zoals door de negatieve rente de prijs van geld op zijn retour is? Sinds 1960 als het groeipercentage van het bbp nog 5% is, daalt het. De 14 rijkste landen zitten nu al op een afnemende groei van slechts 1%. De arbeidsproductiviteit daalt, de bevolking krimpt en vergrijst, er is een groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid. De top van de S-curve lijkt bereikt. De prognoses van dé instituten van het exponentieel groeiend bbp bevestigen dat. Ter illustratie een citaat uit een IMF-rapport dat een langdurige stagnatie in de nabije toekomst onderschrijft: “…onze prognoses voor de lange termijn [zijn] steeds minder optimistisch…beleidsmakers zouden niet mogen vergeten zich voor te bereiden op mogelijk negatieve uitkomsten…”[3]

Eeuwige groei én duurzaamheid lijken onhaalbaar

Het ziet er dus naar uit dat we de economische realiteit moeten aanpassen en van méér groei naar minder nieuw en meer hergebruik en langere vervangingstermijnen evolueren. Economische groei kan niet eeuwig voortduren, niet omdat het niet mag maar omdat de biosfeer het niet langer verdraagt. De eed van Hippocrates legt ons een zorgplicht op. Hoe krijgen we dat voor elkaar? Groei is nog steeds een politieke noodzaak. Zonder groei ontstaat politieke instabiliteit die niet valt te kanaliseren. Het willen consumeren is een intense drijfveer die niet veel gelatenheid toestaat. Een beetje populistisch gezegd; het volk gaat dreinen als het niet krijgt wat het wil, ook in overvloedige economieën zoals in het westen. Als groene groei het credo van de westerse samenleving (G20) zou worden, kan het niet anders dan dat het gebruik van hulpbronnen drastisch vermindert. Gebeurt dat niet, dan ontstaat een ecologische voetafdruk die 5 planeten als de aarde nodig heeft aan hulpbronnen. Wil je dus groene groei verwezenlijken dan is een ontkoppeling van hulpbronnen (bijvoorbeeld fossiele brandstoffen) en groei van het bbp onvermijdelijk.  De groei van het bbp in stand houden met groene groei via ecologisch niet belastende duurzame energiebronnen zoals zonne- wind- en hydro-energie is volgens vooraanstaande beleidsadviseurs van de VN[4] een hele zware en misschien niet haalbare opgave. De groeicijfers van de komende 100 jaar zullen totaal in het niet vallen bij die van de afgelopen honderd jaar.[5]

Tot slot

Stel dat onze economieën zodanig worden ingericht dat we afzien van groene groei en dus van een voortdurende groei van het bbp, houden we dan nog een economie over? Een groene economie zonder groei. Daarvoor hebben we totaal geen historische voorbeelden. Ons economisch systeem tot nu toe ontbreekt het aan de middelen om ons daar een betrouwbaar inzicht in te verschaffen. Er zijn geen statistieken, geen econometrische modellen, geen berekeningsmethoden. Hoe gaat dat werken en gaat dat werken? Het herinrichten van een regeneratieve economie zonder groei lijkt op een fata morgana. Het hele economisch waardencomplex uit het verleden dat geïncorporeerd is in wetten, beleid en instituties, vereist een ombouw en herbouw van Bijbelse proporties.[6] Misschien moeten we hopen op een systeemcrisis om dat Bijbelse werk te kunnen verrichten. Of verwijs ik hier naar een utopische verlossingsmetafoor en het vooruitgangsmodel, terwijl onze zwerftocht door het antropoceen geen echte bestemming heeft? Ik ben naïef en verwijs als laatste naar de Cree-indianen. Zij stelden de huidenhandelaars teleur omdat de prijsprikkel die ze voor de Cree in gedachte hadden niet werkte. Ze besloten om de indianen een hogere prijs per huid te betalen. De Cree leverden vervolgens niet meer huiden, maar minder…[7]


[1] ‘Donuteconomie’, Amsterdam 2017. De oorspronkelijke titel is ‘Doughnut Economics’ waarbij ‘Economics’ eigenlijk zou moeten worden vertaald als ‘leer van de economie’. Een samenvatting van dit boek is geschreven door Elly Stroo Cloeck, maart 2018. Verkrijgbaar als Ebook.
[2] O.c. p. 233
[3] Rapport van het IMF uit april 2016. O.c. p. 243
[4] O.c. 247
[5] Volgens de Amerikaanse energie-econoom David Murphy. O.c. 250
[6] Onder andere Mattheus 26:61 ‘Die man heeft gezegd: “Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen”
[7] O.c. p. 267

Speculaties over de werkelijkheid als ‘Ding an sich’

De kentheorie van Immanuel Kant

Sinds het einde van de 18e eeuw worden we geplaagd door de Copernicaanse revolutie die de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) heeft ontketend.  Kant heeft in zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ een kentheorie ontwikkeld, die onze werkelijkheidservaring fundamenteel omkeert. De realiteit of werkelijkheid is binnen onze zintuigelijke waarneming niet de onmiddellijke bron van ons kennen. Nauwkeuriger gezegd, dat wat wij waarnemen en in ons bewustzijn verschijnt en een reëel object lijkt, is bij lange na geen kopie van een object in de reële wereld. Ons kenvermogen zelf schept de mogelijkheidsvoorwaarden voor het kenproces. Wij als kennend subject, nemen uitsluitend waar binnen de basisvormen van de waarneming.  Dat zijn de ‘Anschauungsformen’ van ruimte en tijd. Het zijn de ‘a priori’ categorieën van het verstand, die ons kenproces structureren.  Ze staan ‘los’ van de empirie en zijn dus transcendentaal gegeven. Met andere woorden ze overstijgen (transcenderen) de ervaring. De ervaringsobjecten hebben fundamenteel een status die wij niet kunnen kennen. Het is de status van het ‘Ding an sich’. Deze kentheoretische wending die empirie en verstandelijk vermogen[1] synthetiseert, is vergelijkbaar met de ommekeer die Copernicus (1473-1543) bewerkstelligt. Hij berekent dat niet de aarde centrum is van ons planetenstelsel, maar de zon.

Kant toont met zijn ‘transcendentaalfilosofie’ van het ‘a priori’ aan, dat het ‘Ding an sich’ in het kennen altijd wordt bemiddeld door de categorieën van het verstand. Op zichzelf is het vergelijkbaar met de beeldruis van een ouderwetse analoge beeldbuis waarop geen antenne is aangesloten. In deze zin is niet de fysica bepalend voor ons kennen maar zijn het de metafysische vormen van ons kenvermogen. Elke zintuigelijke waarneming of aanschouwing is afhankelijk van de werking van ons kenapparaat en verschijnt niet als zuiver fysisch object aan ons bewustzijn. Het ‘Ding an sich’ blijft ons vreemd. Er ‘bestaat’ een wereld buiten het kenvermogen die in de metafysica van opvolgers van Kant wordt benoemd als ‘die Welt als Wille und Vorstellung’ of ‘Wille zur Macht’.

Het ‘Ding an sich’

Over de wereld van het ‘Ding an sich’ kun je eindeloos speculeren als je sjoemelt met de strenge kentheoretische kaders van Kant. De rol die ons bewustzijn binnen het kenproces speelt wordt dan allesoverheersend. Ons verhaal over de werkelijkheid kan ons op die manier doen verdwalen in een wereld van fictie, wensdenken en fantasie.  Drijfveren nemen de overhand. Illusies worden realiteiten. De grenzen van tegenspraak en natuurwetten lijken eindeloos te kunnen opschuiven. Het lustprincipe verdringt het realiteitsprincipe. Het beeld dat de waarneming van het ‘Ding an sich’ achterlaat in ons bewustzijn wordt immers toch pas gevormd binnen het kenproces, dat de opties bepaalt. Als werkelijkheid en waarneming niet op voorhand een synthese vormen (in de kentheorie van Kant zijn ze onverbrekelijk), krijgt de waarheid het heel moeilijk. Op het moment dat de afbeelding in ons bewustzijn niet meer noodzakelijk een kopie van een origineel is, overheerst het verhaal, de vertelling of het narratief de werkelijkheid. Beeldvorming en voorstelling domineren.

Jean Braudillard en de beeldcultuur

De Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) stelt dat we steeds meer in een gesimuleerde wereld en dus gesimuleerde werkelijkheid leven. We zondigen zwaar tegen het 2e gebod:

 “Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde”

Het gebod roept op onze creatieve drijfveren te temperen – zoals de meeste geboden oproepen ons driftleven te kanaliseren – en onze energie te steken in de realiteit van de zorg om huis en haard. De simulaties met afbeeldingen zijn in ons huidig tijdsbestek volgens de postmodernist Baudrillard volkomen uit de hand gelopen. Oorspronkelijk zorgt de nabootsing voor een verdubbeling van het origineel en het afgebeelde in de werkelijkheid. Langzamerhand krijgt de afbeelding een iconische status en drukt ze het origineel weg. De figuren op de ‘Nachtwacht’ zijn al lang niet meer de personen met een naam die tegen betaling op het schilderij werden afgebeeld. De ‘Mona Lisa’ is het mysterieuze zinnebeeld van een vrouw uit de renaissance. Marilyn Monroe is een eindeloos vermenigvuldigbaar icoon van de vrouwelijke verleiding dat wij bijvoorbeeld kennen als een zeefdruk van Andy Warhol. De verwijzingen naar de originele ‘levende’ personen zijn vage reminiscenties, slechts te achterhalen door de kunsthistorische bijsluiter te raadplegen. In de virtuele wereld van vandaag is er geen verwijzing meer naar een origineel. Er is een nieuwe werkelijkheid en wereld geschapen die zich toont in de virtuele sciencefiction van computerspellen en films. Er bestaat geen origineel meer. Het ‘Ding an sich’ is overrompeld en uitgewist door de innerlijke drift (wil) om het bewustzijn tot autocratische instantie van ons bestaan te maken. De werkelijkheid is tot afbeelding verworden waarbij een buiten ons bewustzijn liggende realiteit slechts als verstorend wordt ervaren. De werkelijkheid raakt gesimuleerd volgens Baudrillard. We hebben er een simulacrum van gemaakt; een beeld of kopie of simulatie zonder origineel. De eindfase van een nabootsingsproces en overgang naar een virtuele werkelijkheid.

De film ‘The Matrix’

Jean Baudrillard is de inspiratiebron van de gebroeders Wachowski – tegenwoordig de gezusters omdat ze als transgender door het leven gaan – die de film ‘The Matrix’ hebben gemaakt.[2] In de Matrix wordt een computergestuurde virtuele wereld getoond die in alles lijkt op een werkelijkheid maar in wezen dus een schijnwerkelijkheid is. Er is nog een snippertje realiteit over waarin enkele overlevenden van de ware realiteit zich ophouden. Ze kunnen via een interface gekoppeld worden aan de wereld van de Matrix en hebben als taak het computerprogramma te bestrijden zodat de mensheid wordt verlost. De Messias is Neo een anagram van ‘the One’. In de film is de realiteit al verworden tot een woestijn. De virtuele fictie van de schijnwerkelijkheid van de Matrix lijkt nog op een afbeelding van de realiteit. In wezen is het echter een fictioneel maaksel dat los staat van een empirie waar natuurwetten gelden. Het synthetiserend kenproces van Kant dat altijd een empirie veronderstelt onverbrekelijk verbonden met de ‘Anschauungsformen’ van het verstand, is doorbroken.

De gefabuleerde werkelijkheid

De film is een spektakel van verwijzingen naar Bijbelverhalen, mythes, literatuur, cinematografie en filosofische opvattingen, met name gebaseerd op het platoons-christelijk wereldbeeld. Het scherpst verwijst de film toch naar Baudrillard en de Nietzscheaanse deconstructie van de door ons in verhalen gefabuleerde werkelijkheid. De vrijheid en kans op verlossing van de mens is minimaal maar de acceptatie van deze nihilistische visie lijkt steeds meer terrein te verliezen. Toch lijkt mij een actieve acceptatie van een beperkte bewegingsruimte en keuzevrijheid getuigen van realiteitszin. Verwachten, hopen en geloven vervangen door actief wachten en gelaten meebewegen met toeval en lot, levert wellicht wel een haalbare vrijheid en autonomie op. Onze megalomane postmoderne cultuur is van die positie sterk vervreemd. De vraag is of ze intussen niet in een pathologisch kramp verkeert.  De ‘fantastische’ werkelijkheid waarin we het leven situeren, plaats ons te midden van een Disneyachtige ideologie die het grote verhaal propageert. Het hiernamaals in het hiernumaals. Ik zei hierboven al dat de “dessert of the real” een citaat is uit de Matrix. Pas na acceptatie heeft die ‘woestenij’ nog genoeg te bieden en te genieten. Ook kan de menselijke vrijheid tegenover het determinisme van de gesimuleerde Matrix en haar strikte wetmatigheden overeind blijven. De mens kan kiezen al is die keuze gereduceerd tussen vandaag wel of geen vlees eten. Men kan zelfs positief niet-kiezen door niet te kiezen tussen twee, wat formeel ook weer een keuze is. De gemiddelde leeuw zie ik dat nog niet zo snel doen. De verlossing ligt volgens mij niet in het eindeloos nabootsen van een realiteit totdat de gesimuleerde hyperrealiteit van de Matrix is bereikt. Er zal een originele realiteit kenbaar moet blijven om schijn en waarheid te kunnen blijven onderscheiden. In de film buigt een bewoner van de Matrix een lepel krom vanuit zijn bewustzijn. De truc wordt verklaard met de mededeling: “There is no spoon”.

De computersimulatie van de Matrix is ook nog een zeer actuele verwijzing naar de technologie van de kunstmatige intelligentie (AI) In de film is het menselijke brein via een interface gekoppeld aan een computer (cyborg) en zijn de sentinels robotachtige wezens met bovenmenselijk intelligent gedrag. Dit heeft in de film een hoog sciencefiction gehalte. In de werkelijkheid van vandaag is echter de toepassing van AI ondersteunde zelflerende systemen zoals AlphaZero waarvan het algoritme zonder tussenkomst van menselijke programmeurs zichzelf ontwerpt en genereert, feitelijk al aanwezig. De snelheid waarmee deze systemen nu al werken is ongekend en aangesloten op een Q-bit mainframe van een kwantumcomputer in de voorziebare toekomst is er qua snelheid geen enkel beletsel meer voor AI. De systemen overtreffen dan de menselijke intelligentie op alle fronten, wat leidt tot de gevreesde posthumane singulariteit, waar de mens als bio-organisme zijn eigen extinctie heeft bewerkstelligd. De door de mens ontwikkelde technologie heeft dan zoals Chronos zijn eigen kinderen/ouders opgegeten. Sterker nog, de aanpassingsstrategie van Darwins natuurlijke selectie is vervangen door een artificiële selectie. Is er dan toch een door AI gestuurd hyperreëel systeem ontstaan, waarin werkelijkheid en rede zijn gefuseerd en het ‘Ding an sich’ is gereduceerd tot laten we zeggen; energie?

Tot slot

Het resultaat van Immanuel Kant zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ was dat de werkelijkheid als ‘Ding an sich’ in zijn zuivere vorm ‘buiten’ ons waarnemingssysteem niet kenbaar was. De plaatsbepaling ‘buiten’ klopt echter niet. De analyse van Kant van het kenproces is precies wat het is; een analyse. Hij onderzoekt slechts de mogelijkheidsvoorwaarden van het kenproces in volledige abstractie van het fysieke verloop van de waarneming. Die kan geheel anders zijn met ingewikkelde loopbacklussen binnen het waarnemingsproces, enzovoort. Ook wordt er niet persé een dualiteit verondersteld tussen kenner en het gekende wellicht eerder een drieëenheid tussen kennen, kenner en gekende of tussen waarnemen, waarnemer en waargenomene. Kants nadruk op het synthetisch aspect van het kenproces waarin empirie en verstand fuseren, laat dat zien. Maar ook dit is geen beschrijving van het fysiek verloop van het kenproces. Ik lees er wel een aanwijzing in dat de subject-object verhouding niet moet worden opgevat als een verhouding van streng dualistisch gescheiden substanties. Er is veel meer voor te zeggen dat de werkelijkheid één is en dat ik als waarnemer deelneem aan de aanschouwing van het geheel. Ik ben mij bewust van het speculatieve gehalte van deze stelling, maar ze is niet zonder precedent in de ideeëngeschiedenis.


[1] Hoe dit werkt voor planten en dierenwereld, laat ik buiten beschouwing.[2] Dit essay volgt veelal de essays die Jos de Mul heeft geschreven over de Matrix-films. Ze zijn te vinden op www.demul.nl