Speculaties over de werkelijkheid als ‘Ding an sich’

door Denkerij®

De kentheorie van Immanuel Kant

Sinds het einde van de 18e eeuw worden we geplaagd door de Copernicaanse revolutie die de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) heeft ontketend.  Kant heeft in zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ een kentheorie ontwikkeld, die onze werkelijkheidservaring fundamenteel omkeert. De realiteit of werkelijkheid is binnen onze zintuigelijke waarneming niet de onmiddellijke bron van ons kennen. Nauwkeuriger gezegd, dat wat wij waarnemen en in ons bewustzijn verschijnt en een reëel object lijkt, is bij lange na geen kopie van een object in de reële wereld. Ons kenvermogen zelf schept de mogelijkheidsvoorwaarden voor het kenproces. Wij als kennend subject, nemen uitsluitend waar binnen de basisvormen van de waarneming.  Dat zijn de ‘Anschauungsformen’ van ruimte en tijd. Het zijn de ‘a priori’ categorieën van het verstand, die ons kenproces structureren.  Ze staan ‘los’ van de empirie en zijn dus transcendentaal gegeven. Met andere woorden ze overstijgen (transcenderen) de ervaring. De ervaringsobjecten hebben fundamenteel een status die wij niet kunnen kennen. Het is de status van het ‘Ding an sich’. Deze kentheoretische wending die empirie en verstandelijk vermogen[1] synthetiseert, is vergelijkbaar met de ommekeer die Copernicus (1473-1543) bewerkstelligt. Hij berekent dat niet de aarde centrum is van ons planetenstelsel, maar de zon.

Kant toont met zijn ‘transcendentaalfilosofie’ van het ‘a priori’ aan, dat het ‘Ding an sich’ in het kennen altijd wordt bemiddeld door de categorieën van het verstand. Op zichzelf is het vergelijkbaar met de beeldruis van een ouderwetse analoge beeldbuis waarop geen antenne is aangesloten. In deze zin is niet de fysica bepalend voor ons kennen maar zijn het de metafysische vormen van ons kenvermogen. Elke zintuigelijke waarneming of aanschouwing is afhankelijk van de werking van ons kenapparaat en verschijnt niet als zuiver fysisch object aan ons bewustzijn. Het ‘Ding an sich’ blijft ons vreemd. Er ‘bestaat’ een wereld buiten het kenvermogen die in de metafysica van opvolgers van Kant wordt benoemd als ‘die Welt als Wille und Vorstellung’ of ‘Wille zur Macht’.

Het ‘Ding an sich’

Over de wereld van het ‘Ding an sich’ kun je eindeloos speculeren als je sjoemelt met de strenge kentheoretische kaders van Kant. De rol die ons bewustzijn binnen het kenproces speelt wordt dan allesoverheersend. Ons verhaal over de werkelijkheid kan ons op die manier doen verdwalen in een wereld van fictie, wensdenken en fantasie.  Drijfveren nemen de overhand. Illusies worden realiteiten. De grenzen van tegenspraak en natuurwetten lijken eindeloos te kunnen opschuiven. Het lustprincipe verdringt het realiteitsprincipe. Het beeld dat de waarneming van het ‘Ding an sich’ achterlaat in ons bewustzijn wordt immers toch pas gevormd binnen het kenproces, dat de opties bepaalt. Als werkelijkheid en waarneming niet op voorhand een synthese vormen (in de kentheorie van Kant zijn ze onverbrekelijk), krijgt de waarheid het heel moeilijk. Op het moment dat de afbeelding in ons bewustzijn niet meer noodzakelijk een kopie van een origineel is, overheerst het verhaal, de vertelling of het narratief de werkelijkheid. Beeldvorming en voorstelling domineren.

Jean Braudillard en de beeldcultuur

De Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) stelt dat we steeds meer in een gesimuleerde wereld en dus gesimuleerde werkelijkheid leven. We zondigen zwaar tegen het 2e gebod:

 “Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde”

Het gebod roept op onze creatieve drijfveren te temperen – zoals de meeste geboden oproepen ons driftleven te kanaliseren – en onze energie te steken in de realiteit van de zorg om huis en haard. De simulaties met afbeeldingen zijn in ons huidig tijdsbestek volgens de postmodernist Baudrillard volkomen uit de hand gelopen. Oorspronkelijk zorgt de nabootsing voor een verdubbeling van het origineel en het afgebeelde in de werkelijkheid. Langzamerhand krijgt de afbeelding een iconische status en drukt ze het origineel weg. De figuren op de ‘Nachtwacht’ zijn al lang niet meer de personen met een naam die tegen betaling op het schilderij werden afgebeeld. De ‘Mona Lisa’ is het mysterieuze zinnebeeld van een vrouw uit de renaissance. Marilyn Monroe is een eindeloos vermenigvuldigbaar icoon van de vrouwelijke verleiding dat wij bijvoorbeeld kennen als een zeefdruk van Andy Warhol. De verwijzingen naar de originele ‘levende’ personen zijn vage reminiscenties, slechts te achterhalen door de kunsthistorische bijsluiter te raadplegen. In de virtuele wereld van vandaag is er geen verwijzing meer naar een origineel. Er is een nieuwe werkelijkheid en wereld geschapen die zich toont in de virtuele sciencefiction van computerspellen en films. Er bestaat geen origineel meer. Het ‘Ding an sich’ is overrompeld en uitgewist door de innerlijke drift (wil) om het bewustzijn tot autocratische instantie van ons bestaan te maken. De werkelijkheid is tot afbeelding verworden waarbij een buiten ons bewustzijn liggende realiteit slechts als verstorend wordt ervaren. De werkelijkheid raakt gesimuleerd volgens Baudrillard. We hebben er een simulacrum van gemaakt; een beeld of kopie of simulatie zonder origineel. De eindfase van een nabootsingsproces en overgang naar een virtuele werkelijkheid.

De film ‘The Matrix’

Jean Baudrillard is de inspiratiebron van de gebroeders Wachowski – tegenwoordig de gezusters omdat ze als transgender door het leven gaan – die de film ‘The Matrix’ hebben gemaakt.[2] In de Matrix wordt een computergestuurde virtuele wereld getoond die in alles lijkt op een werkelijkheid maar in wezen dus een schijnwerkelijkheid is. Er is nog een snippertje realiteit over waarin enkele overlevenden van de ware realiteit zich ophouden. Ze kunnen via een interface gekoppeld worden aan de wereld van de Matrix en hebben als taak het computerprogramma te bestrijden zodat de mensheid wordt verlost. De Messias is Neo een anagram van ‘the One’. In de film is de realiteit al verworden tot een woestijn. De virtuele fictie van de schijnwerkelijkheid van de Matrix lijkt nog op een afbeelding van de realiteit. In wezen is het echter een fictioneel maaksel dat los staat van een empirie waar natuurwetten gelden. Het synthetiserend kenproces van Kant dat altijd een empirie veronderstelt onverbrekelijk verbonden met de ‘Anschauungsformen’ van het verstand, is doorbroken.

De gefabuleerde werkelijkheid

De film is een spektakel van verwijzingen naar Bijbelverhalen, mythes, literatuur, cinematografie en filosofische opvattingen, met name gebaseerd op het platoons-christelijk wereldbeeld. Het scherpst verwijst de film toch naar Baudrillard en de Nietzscheaanse deconstructie van de door ons in verhalen gefabuleerde werkelijkheid. De vrijheid en kans op verlossing van de mens is minimaal maar de acceptatie van deze nihilistische visie lijkt steeds meer terrein te verliezen. Toch lijkt mij een actieve acceptatie van een beperkte bewegingsruimte en keuzevrijheid getuigen van realiteitszin. Verwachten, hopen en geloven vervangen door actief wachten en gelaten meebewegen met toeval en lot, levert wellicht wel een haalbare vrijheid en autonomie op. Onze megalomane postmoderne cultuur is van die positie sterk vervreemd. De vraag is of ze intussen niet in een pathologisch kramp verkeert.  De ‘fantastische’ werkelijkheid waarin we het leven situeren, plaats ons te midden van een Disneyachtige ideologie die het grote verhaal propageert. Het hiernamaals in het hiernumaals. Ik zei hierboven al dat de “dessert of the real” een citaat is uit de Matrix. Pas na acceptatie heeft die ‘woestenij’ nog genoeg te bieden en te genieten. Ook kan de menselijke vrijheid tegenover het determinisme van de gesimuleerde Matrix en haar strikte wetmatigheden overeind blijven. De mens kan kiezen al is die keuze gereduceerd tussen vandaag wel of geen vlees eten. Men kan zelfs positief niet-kiezen door niet te kiezen tussen twee, wat formeel ook weer een keuze is. De gemiddelde leeuw zie ik dat nog niet zo snel doen. De verlossing ligt volgens mij niet in het eindeloos nabootsen van een realiteit totdat de gesimuleerde hyperrealiteit van de Matrix is bereikt. Er zal een originele realiteit kenbaar moet blijven om schijn en waarheid te kunnen blijven onderscheiden. In de film buigt een bewoner van de Matrix een lepel krom vanuit zijn bewustzijn. De truc wordt verklaard met de mededeling: “There is no spoon”.

De computersimulatie van de Matrix is ook nog een zeer actuele verwijzing naar de technologie van de kunstmatige intelligentie (AI) In de film is het menselijke brein via een interface gekoppeld aan een computer (cyborg) en zijn de sentinels robotachtige wezens met bovenmenselijk intelligent gedrag. Dit heeft in de film een hoog sciencefiction gehalte. In de werkelijkheid van vandaag is echter de toepassing van AI ondersteunde zelflerende systemen zoals AlphaZero waarvan het algoritme zonder tussenkomst van menselijke programmeurs zichzelf ontwerpt en genereert, feitelijk al aanwezig. De snelheid waarmee deze systemen nu al werken is ongekend en aangesloten op een Q-bit mainframe van een kwantumcomputer in de voorziebare toekomst is er qua snelheid geen enkel beletsel meer voor AI. De systemen overtreffen dan de menselijke intelligentie op alle fronten, wat leidt tot de gevreesde posthumane singulariteit, waar de mens als bio-organisme zijn eigen extinctie heeft bewerkstelligd. De door de mens ontwikkelde technologie heeft dan zoals Chronos zijn eigen kinderen/ouders opgegeten. Sterker nog, de aanpassingsstrategie van Darwins natuurlijke selectie is vervangen door een artificiële selectie. Is er dan toch een door AI gestuurd hyperreëel systeem ontstaan, waarin werkelijkheid en rede zijn gefuseerd en het ‘Ding an sich’ is gereduceerd tot laten we zeggen; energie?

Tot slot

Het resultaat van Immanuel Kant zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ was dat de werkelijkheid als ‘Ding an sich’ in zijn zuivere vorm ‘buiten’ ons waarnemingssysteem niet kenbaar was. De plaatsbepaling ‘buiten’ klopt echter niet. De analyse van Kant van het kenproces is precies wat het is; een analyse. Hij onderzoekt slechts de mogelijkheidsvoorwaarden van het kenproces in volledige abstractie van het fysieke verloop van de waarneming. Die kan geheel anders zijn met ingewikkelde loopbacklussen binnen het waarnemingsproces, enzovoort. Ook wordt er niet persé een dualiteit verondersteld tussen kenner en het gekende wellicht eerder een drieëenheid tussen kennen, kenner en gekende of tussen waarnemen, waarnemer en waargenomene. Kants nadruk op het synthetisch aspect van het kenproces waarin empirie en verstand fuseren, laat dat zien. Maar ook dit is geen beschrijving van het fysiek verloop van het kenproces. Ik lees er wel een aanwijzing in dat de subject-object verhouding niet moet worden opgevat als een verhouding van streng dualistisch gescheiden substanties. Er is veel meer voor te zeggen dat de werkelijkheid één is en dat ik als waarnemer deelneem aan de aanschouwing van het geheel. Ik ben mij bewust van het speculatieve gehalte van deze stelling, maar ze is niet zonder precedent in de ideeëngeschiedenis.


[1] Hoe dit werkt voor planten en dierenwereld, laat ik buiten beschouwing.[2] Dit essay volgt veelal de essays die Jos de Mul heeft geschreven over de Matrix-films. Ze zijn te vinden op www.demul.nl