De vrije wil

Het historisch debat

Een van de meest hardnekkige debatten binnen de ideeëngeschiedenis van de filosofie is het debat over de ‘vrije wil’.  In de Griekse oudheid ten tijde van Plato (427-347 v.Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.) is het nog niet echt een onderwerp dat systematisch wordt behandeld. De eerste denker die er thematisch aandacht aan besteedt, is de kerkvader Augustinus van Hippo (354-430). Het werk over de vrije wil is getiteld ‘De libero arbitrio’ (Over de vrije wilskeuze). Augustinus verdedigt de ‘vrije wil’ met verve omdat het kwaad moet worden toegerekend aan de ‘gevallen’ mens, die behept met de erfzonde door zijn vrijwillig handelen zijn verlossing moet bewerkstelligen. De mens heeft dus een morele verantwoordelijkheid op basis van zijn ‘vrije wil’. Een van de eersten die het idee van de ‘vrije wil’ verwerpt, is Maarten Luther (1483-1556). Met de van hem bekende felheid grijpt hij terug op een zeer strenge lezing van het geschrevene in de Bijbel. De mens is geheel en al noodzakelijk onderworpen aan de goddelijke almacht en alwetendheid. De ‘vrije wil’ is hiermee in flagrante tegenspraak. Hij publiceert zijn ‘De servo arbitrio’ (de geknechte wil) in 1525. Dit debat duurt voort tijdens de verlichting.[1] In de 19e eeuw is het Arthur Schopenhauer die een systematische verhandeling schrijft ‘Über die Freiheit des menslichen Willens’[2]

Schopenhauer en het kennen

Arthur Schopenhauer (1788-1860) is als filosoof een ‘homo universalis’ in die zin dat hij het geheel van de dan geldende (natuur)wetenschap overziet, gedetailleerde kennis heeft van de geschiedenis van de filosofie, de klassieke en moderne talen beheerst, de Upanishads in het Sanskriet leest, de romanliteratuur kent, enzovoort. Nadat hij al op dertigjarige leeftijd zijn hoofdwerk ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ heeft gepubliceerd, schrijft hij meer dan twintig jaar later over de vrijheid van de wil. Voor hem is het duidelijk dat de vrijheid van de wil een illusie is. Hét paradigma van de natuurwetenschap in zijn tijd is het determinisme. Alle empirische verschijnselen zijn geordend op basis van het causaliteitsprincipe. Ieder verschijnsel berust noodzakelijk op een oorzaak en is daar ook noodzakelijk een gevolg van. Naast tijd en ruimte behoort causaliteit tot de constituerende principes van het menselijke kenvermogen. Zij zijn de mogelijkheidsvoorwaarden voor het kennen. Deze ‘a priori’ categorieën van het verstand zijn transcendentaal gegeven. Ze behoren zelf niet tot de empirie maar zijn de vormen van het verstand waarbinnen de aanschouwing van het ‘Ding an sich’ synthetiseert tot kennis, waardoor kennis mogelijk wordt. Deze mogelijkheidsvoorwaarden gaan ‘vooraf’ of transcenderen aan wat uit de empirische wereld als ‘Ding an sich’ verschijnt in de aanschouwing/waarneming.

Een Kantiaanse analyse van de ‘vrije wil’

Niemand minder dan Immanuel Kant (1724-1804) heeft in zijn 1e uitgave van ‘Kritik der reinen Vernunft’ van 1781[3] deze analyse van het kennen uitgewerkt. De termen ‘mogelijkheidsvoorwaarde’ en ‘transcendent’ zijn in het filosofisch denken grenswaarden of verwijzingen naar de laatste grond van iedere denkbeweging geworden. In een transcendentaal analyse houdt het denken zich bezig met wat mogelijke kennis zou kunnen zijn of wat mogelijke voorwaarden van het kennen buiten iedere ervaring zouden kunnen zijn. Schopenhauer komt in zijn analyse van de ‘vrije wil’ uiteindelijk uit bij de vrijheid van de wil als transcendentale vorm. Maar helaas, niets verschijnt als loutere denkinhoud in het kennen. Er is altijd een onverbrekelijke eenheid van empirie en intelligibiliteit (alleen door de geest waar te nemen).[4] Zodoende blijven de wil en de wilsuitingen (waaronder het handelen) onderworpen aan de gedetermineerdheid en de noodzakelijkheid en blijft de ‘vrije wil’ nog steeds een wenselijkheid of illusie. Schopenhauer houdt het concept ‘vrije wil’ dus voor onmogelijk, maar merkt aan het einde van zijn betoog toch op dat vrijheid een mysterie is.

De ‘vrije wil’ en de ‘toereikende grond’

De vraag die Schopenhauer is zijn traktaat ‘De vrijheid van de wil’ probeert te beantwoorden, is afkomstig van de Noorse koninklijke academie van wetenschappen en luidt: ‘Kan de vrijheid van de menselijke wil uit het zelfbewustzijn worden bewezen?’ Hij stelt vast dat die vraag doelt op de morele vrijheid als de eigenlijke ‘vrije wil’ (liberum arbiterium).[5] Met andere woorden ben ik vrij om te handelen zoals ik dat wil? Kan ik doen wat ik wil? Dit verwijst naar de vrijheid van  het empirisch handelen en niet naar het loutere willen van de wil. Als ik iets wil doen moet ik dat dus ongedwongen kunnen doen zonder dat enige noodzaak mij daartoe noopt; dan pas handel ik in vrijheid. [6] Met noodzakelijk bedoelt Schopenhauer dat iets gebeurt op basis van een ‘toereikende grond’. Dit begrip is afkomstig uit zijn dissertatie en betekent voldoende reden of oorzaak. Er bestaat niets binnen het denken of binnen de werkelijkheid zonder ‘toereikende grond’. Ieder gevolg heeft een oorzaak en andersom. Deze definitie schakelt het absolute toeval; dus absolute vrijheid als het ware uit. Als de gebeurtenissen in de werkelijkheid een noodzakelijk verloop hebben, is vrijheid ver te zoeken. Toegepast op wilsuitingen die nooit geïsoleerd plaats hebben, maar zich altijd binnen een brede context van gebeurtenissen voordoen, die als mede oorzaak fungeren, geldt ook dat die wilsuitingen zich niet in vrijheid voltrekken. Dat zou pas het geval zijn als ze geheel en al uit de wil zelf voortkomen.[7] Deze volstrekt of absoluut vrije wil zou het door die wil gestuurde handelen in het volkomen luchtledige plaatsen, zonder enige ‘toereikende grond’, buiten alle gedetermineerde omstandigheden. Ik wil vliegen als een vogel. Ik wil tegelijkertijd hier én daar zijn.

Zelfbewustzijn en wil

Vrijheid en het menselijk handelen of willen, verdragen zich ogenschijnlijk slecht met elkaar. Toch is de formule ‘ik kan doen wat ik wil’ voortdurend in het zelfbewustzijn aanwezig. Bij al het handelen is het onmiddellijk besef aanwezig dat ik handel op basis van wat ik wil en dat die wilsuiting niet gehinderd wordt door wat dan ook. Het zelfbewustzijn lijkt zo de zetel van de menselijke ‘vrije wil’, zoals de vraag van de academie hierboven ook min of meer veronderstelt. Schopenhauer betoogt dat het introspectieve zelfbewustzijn als klein deel van het totale bewustzijn waaraan de ‘dingen’ van buiten verschijnen, geen relevante informatie verschaft over de vrijheid van het willen. Immers als de introspectie van mijn zelfbewustzijn mij zegt dat als ik in vrijheid iets wil doen, ik ook in vrijheid iets anders kan doen, verwijst dat hooguit naar mijn keuzemogelijkheid binnen mijn handelen. Deze vrijheid verwart het filosofisch ongeschoold verstand met de vraag of ik in die gegeven situatie ook een andere handeling kan willen. Dit is geen filosofische spitsvondigheid of speculatie van Schopenhauer maar een serieus argument om aan te duiden dat het zelfbewustzijn tekort schiet om die informatie te geven. Het zelfbewustzijn is geïnformeerd over zaken die het fysieke handelen betreft. Ga ik links of rechts? En als ik dan een keuze maak, ervaart het zelfbewustzijn dat als een vrije wilskeuze? Maar tegelijkertijd zouden er honderden of duizenden factoren kunnen zijn die verschijnen binnen mijn totale bewustzijn en die inwerken op mijn keuze. De vrijheid van mijn willen is dan aangetast. De factoren die niet tot mijn zelfbewustzijn door dringen zouden mijn keuzes noodzakelijk kunnen bepalen. De introspectieve informatie van mijn zelfbewustzijn die zegt dat ‘ik kan doen wat ik wil’ betreft niet de wilsakt zelf. Het willen als willen. Dit gaat ‘vooraf’ aan de gewilde handeling. Pas achteraf nadat de gewilde handeling bekend is, heeft het zelfbewustzijn informatie en weet het ‘ik kan doen wat ik wil’.  We kunnen dus op grond van de informatie uit het zelfbewustzijn helemaal niet uitmaken of de wil als wil vrij is en in een gegeven situatie zowel het een als het ander kan ‘willen’.[8] De vraag van de academie ‘Kan de vrijheid van de menselijke wil uit het zelfbewustzijn worden bewezen?’ is hiermee ontkennend beantwoord.

Het zeer subtiele onderscheid dat Schopenhauer hier maakt tussen de wilsuiting bij een keuze en de ‘zuivere wil’[9] valt moeilijk te begrijpen en het blijft begripsmatig mistig, ook voor het filosofisch geschoolde verstand, lijkt mij. Het doet mij denken aan wat Augustinus van Hippo zegt over het begrijpen van de ‘tijd’: ‘Wat is de tijd? Wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet.’ Bovendien heeft Schopenhauer al  ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’[10] geschreven waarin de Wil met hoofdletter het geheel van de werkelijkheid determineert. Daarnaast is het causaliteitsprincipe een van de wortels van ‘de stelling van de toereikende grond’ uit zijn dissertatie[11]. Het zou vreemd zijn als hij 25 jaar later tot de niet-deterministische conclusie van ‘de vrije wil’ komt.

Tot slot

Het ‘vrije wil’ debat vraagt voortdurend de aandacht in de filosofische ideeëngeschiedenis zoals ik in de aanhef van dit essay al schreef. Zelfs bij de filosofische interpretatie van de bevindingen van de moderne natuurkunde in de kwantummechanica is de ‘vrije wil’ een onderwerp. ‘Toeval en vrije wil’ is een hoofdstuk in het boek ‘Naar alle onwaarschijnlijkheid’[12] van Klaas Landsman dat gaat over die interpretatie. Hij begint dat hoofdstuk met een verwijzing naar het traktaat van Schopenhauer en citeert hem over de aard van de menselijke wil:

“De uiteindelijke reden hiervan is dat het ware wezen van de mens zijn wil is, dat zijn wil zijn eigenlijke identiteit is, de basis van zijn bewustzijn, een altijd aanwezig gegeven waarvan hij niet kan loskomen. Want hij is naargelang hij wil, en wil naargelang hij is. Daarom staat de vraag of hij ook anders zou kunnen willen gelijk aan de vraag of hij ook een ander zou kunnen zijn dan hijzelf is; en op die vraag kan hij geen antwoord geven.”[13]

In dat ‘…anders zou kunnen willen…’ ligt de paradox van de term ‘vrije wil’ besloten omdat ‘vrij’ en ‘wil’ elkaar tegenspreken en uithollen (zoiets als middelmatig genie, volgens Landsman). ‘De Wil’ van Schopenhauer is met enige ironie ‘The Force’ uit Star Wars; het zinnebeeld van het allesoverheersende determinisme bij uitstek. Het enige, wat ook volgens Landsman, de ‘vrije wil’ nog zou kunnen redden is het niet-deterministisch toeval. Daarover een andere keer.

[1] Voor een overzicht zie Arthur Schopenhauer, ‘De vrijheid van de wil’ Amsterdam 2010, vertaling Hans Driessen. Hoofdstuk IV. Oorspronkelijke titel ‘Über die Freiheit des menschlichen Willens’ 1841.
[2] Zie vorige noot
[3] Volgens Schopenhauer het ultieme filosofische werk van een menselijke geest op zijn hoogtepunt in tegenstelling tot de uitgebreide 2e druk van 1787
[4] Zijn bewondering voor Immanuel Kant steekt Schopenhauer niet onder stoelen of banken: “Deze uiteenzetting behoort tot het mooiste en diepzinnigste dat deze grote geest, sterker, dat mensen ooit hebben voortgebracht.” O.c. pagina 111 daarbij doelend op de analyse van Kant in de Kritik der reinen Vernunft als in de Kritik der praktischen Vernunft. O.c. pagina 96.
[5] O.c. pagina 13
[6] Schopenhauer verwijst hier ook naar ‘vrijheid’ als positief en negatief begrip. Ik laat dat hier voor wat het is en zal er nader op ingaan in een nog te schrijven essay over ‘Twee opvattingen over vrijheid’ van Isaiah Berlin.
[7] O.c. pagina 17
[8] O.c. pagina 31-32
[9] Denk bij ‘zuivere wil’ aan Kants ‘reine Vernunft’ en aan zijn poffertjespan. Tussen de gebakken poffertjes kan ik vrij kiezen, maar er is maar één poffertjespan.
[10] Publicatie in 1818
[11] Publicatie in 1813
[12] Amsterdam, 2018
[13] Schopenhauer, O.c. pagina 29