Het ‘neurosofisch’ debat over vrije wil

Het bereidheidspotentiaal

Hersenonderzoek en hersenonderzoekers zijn er in vele soorten en maten. Ze hebben ook in populair wetenschappelijke discussies een stem gekregen sinds er apparatuur is ontwikkeld waarmee het zenuwstelsel waaronder de hersenen, object van wetenschappelijk onderzoek is geworden.  Die apparaten zijn meestal het EEG – de elektro encefalograaf die de ionenstroom tussen de neuronen in de hersenen meet – of de fMRI scan – die de magnetische eigenschappen van de hemoglobine in de hersenen meet. Een van de belangrijkste resultaten waarover de neurosofen[1] al sinds de jaren 70 van de vorige eeuw debatteren is het bereidheidspotentiaal van Benjamin Libet. Libet heeft toen experimenten opgezet waarbij de proefpersonen handelingen verrichtten, die ze al een halve seconde eerder bereid waren uit te voeren dan dat ze zich van de uit te voeren handeling bewust waren. In de motorische gebieden van de hersenen was er al activiteit vóór de handeling zich daadwerkelijk voltrok. Met andere woorden; het bewuste kon niet als auteur van de handeling worden gezien omdat de hersengolf van het onbewuste bereidheidspotentiaal – nodig voor de fysiologische beweging – al eerder was opgetreden. De vrije wil als bepalende factor voor ons bewuste handelen wordt in het experiment gepasseerd. Als dit gegeven wordt geëxtrapoleerd naar het geheel van het menselijk handelen, functioneren we in alles als automaten. Zoals ons lichaam in stand wordt gehouden door onze hartslag die onbewust in gang wordt gehouden door het para- en sympathisch deel van ons zenuwstelsel, zo wordt ons overig motorisch handelen ook onbewust bepaald. Of zoals Sam Harris – waarop we zo dadelijk nog terugkomen – beweert:

“Ik als de bewuste waarnemer van mijn ervaringen, initieer net zomin allerlei processen in mijn mediale prefontale cortex als dat ik mijn hart zelf laat kloppen.”[2]

We hebben echter wel een veto toont Libet later aan. We kunnen een handeling die als bereidheidspotentiaal al aanwezig is, bewust stoppen en dus niet uitvoeren. Vrije wil gered.

Falsificaties van de Libet-experimenten

De storm die rond de jaren 2010 woedt onder hersenonderzoekers die als een soort ‘tornado hunters’ zoeken naar bewijzen voor een oppermachtig brein, is enigszins geluwd. Hun populair wetenschappelijke publicaties moeten het steeds meer afleggen tegen een gedegen filosofische kritiek en nieuwe bevindingen uit wetenschappelijke hoek. Als bij één deelnemer aan een Libet-achtig onderzoek het bereidheidspotentiaal optreedt nadat de beweging is ingezet, dan geldt het falsificatieprincipe van Karl Popper: één zwarte zwaan ontkracht de stelling dat alle zwanen wit zijn. Daarnaast zijn er onderzoeken waarbij de correlatie in de tijd tussen de bewuste beslissing tot handelen en het optreden van de hersengolf van het bereidheidspotentiaal verstoord is. Soms laat de bewuste beslissing lang op zich wachten en soms kort, terwijl het causaal verband tussen beide veronderstelt dat er een vaste samenhang is. De hersengolf lijkt dus meer een anticipatie op de bewuste beslissing dan de oorzaak ervan.[3] Als het bovendien motorische activiteiten betreft, is het maar goed dat de mens zijn dierlijke automatismen niet allemaal op bewuste beslissingen hoeft terug te voeren. De vraag is of een tennisspeler die zijn tegenstander naar rechts ziet bewegen en vervolgens de bal in het linker vak van de baan speelt, die bal bewust en uit vrije wil daar gespeeld heeft. Hij had in ieder geval de keuze om hem ook rechts te spelen en zijn besluit is dus gebaseerd op zijn vrije wil. De mate van bewustheid maakt  voor de vrijheid van de wil niet zoveel uit.

De complexheid van het menselijk handelen

Zoals gezegd zijn er toch neurosofen die de ‘vrije wil’ als een illusie beschouwen op basis van het nog jonge hersenonderzoek. Dat onderzoek gebeurt binnen het perspectief van een causale en deterministische kijk op de empirische werkelijkheid.  Vaak hebben de experimentele testopstellingen een simpele opzet binnen een lineaire causaliteit en een lineair tijdskader waardoor de uitkomsten de ‘vrije wil’ als illusie zouden kunnen onderschrijven.

Ik heb al vaker aangegeven dat de menselijke werkelijkheid volgens mij niet gereduceerd kan worden tot een simpel model dat bijvoorbeeld volledig met de mathematische middelen van de natuurwetten van de klassieke mechanica kan worden beschreven. Volgens sommigen onttrekt het menselijk biologisch domein, waartoe ook de wil behoort, zich zelfs fundamenteel aan wetmatigheden.[4] Iedere reductie gaat voorbij aan het geheel dat niet vanuit enig deel als geheel begrepen kan worden maar alleen in zijn presentatie als geheel. Wat dat betreft kan G.W.F. Hegel (1770-1831) niet genoeg geciteerd worden: “Das Wahre ist das Ganze”. De complexheid die gepaard gaat met menselijke handelingen en de ontelbare factoren en voorwaarden die van invloed zijn om het menselijke gedrag te verklaren, werken weliswaar twee richtingen uit. De vrijheid van de wil wordt enerzijds beperkt door die complexheid, omdat eenvoudigweg teveel invloeden op de wil inwerken. Anderzijds is er toch een keuzeruimte die verhindert dat de vrije wil als illusie kan worden weggezet. Maar dat het territorium waarbinnen de wil zich als vrij kan manifesteren wel eens uiterst klein zou kunnen zijn, is goed om te beseffen en vormt een wondermiddel tegen alle vormen van ‘hybris’.

De vete tussen Harris en Dennett

Een van de laatste heftige discussies die heeft plaatsgevonden is tussen Sam Harris[5] en Daniel Dennett[6] waarbij Harris vrij heftig de vrije wil als illusie beklemtoont en hij zijn opponent stompzinnigheid verwijt.  Dennett is een zeer breed georiënteerd filosoof op het gebied van de hersenwetenschap, bewustzijn en vrije wil.[7] Zijn weerwoord laat weinig aan de verbeelding over. Het deterministisch wetenschapsparadigma kan volgens Dennett bestaan naast het inzicht, dat mensen over een vrije wil beschikken met daaraan gekoppeld persoonlijke verantwoordelijkheid. In de literatuur is dit het compatibalistisch standpunt gaan heten. Determinisme en vrije wil zijn compatibel of verenigbaar. Een standpunt blijkt uit onderzoek, dat door vrijwel de meeste filosofen wordt onderschreven. Harris reduceert het vrije wil concept tot de eenvoudige vrije wil intuïtie die ieder doorsnee mens ervaart. ‘Ik’ wil iets en kan dat uitvoeren zonder daar in te worden gehinderd. Bij Harris komt dat ‘ik’ tussen haakjes te staan omdat de handelingen al bepaald zijn door een  onbewuste hersengolf die hij scheidt van het ‘ik’ van de bewuste vrije wil. Sterker nog, dat handelen valt volgens hem zelfs niet onder de verantwoordelijkheid van het bewuste ‘ik’. Het is een sterk verwrongen opvatting beweert Dennett, van wat het concept persoon en bewustzijn in de ideeëngeschiedenis is gaan betekenen:

“Like many before him, Harris shrinks the me to a dimensionless point, “the witness” who is stuck in the Cartesian Theater awaiting the decisions made elsewhere. That is simply a bad theory of  consciousness.”[8]

Dennett is er wel klaar mee. De opvatting van het cartesiaans dualisme dat er in de pijnappelklier een soort geest zit, voor te stellen als een scherm waartegen de beelden worden geprojecteerd voortgebracht door allerlei zintuigelijke waarnemingen, is volkomen achterhaald. Zo een stroom van onbewuste waarnemingen die worden gereflecteerd in de spiegel van een bewustzijn zonder feedback mogelijkheden, berust ook niet op de stand van het huidige hersenonderzoek.[9] Dit wil niet zeggen dat we daarentegen een absolute vrije wil hebben. Ik kan mijn bloedsomloop niet van richting doen veranderen, maar mijn bewustzijn of bewuste wil  laat wel degelijk toe dat ik mijn leven als project grotendeels zelf kan bepalen. In dat project ontwikkel ik onder invloed van allerlei randvoorwaarden, bewust én onbewust, strategische doelen die lukken of mislukken en die achteraf tijdens mijn ‘in memorial’ mijn ‘ik’ blijken te hebben gevormd. De vrije wil van dat ‘zelf’ kan in deze opvatting worden begrepen als een capaciteit die een planmatig traject kan entameren en afronden. Tegelijkertijd handelt het ‘ik’ instinctmatig en op basis van stimulus en response zonder al teveel of helemaal geen reflectie. Het midden tussen dit en het door de rede gestuurd handelen is het domein van de vrije wil die een bandbreedte vertegenwoordigt van meer of minder vrij. Het menselijk handelen is niet redeloos en dus ook niet radeloos. Het handelend ‘ik’ kan verantwoording afleggen en het kan een ethische oriëntatie hebben.

Het verschijnsel neurofeedback

De ‘stream of consiousness’, die we kennen als de voortdurend wisselende inhoud van ons bewustzijn en die ook bekend is als een literair genre met als voorbeeld de roman ‘Ulysses’ van James Joyce waarin het verloop van de gedachtestroom van Leopold Bloom gedurende een dag wordt beschreven, is niet alleen onwillekeurig. Het verschijnsel neurofeedback toont aan dat de bewuste hersenactiviteit doelgericht valt te beïnvloeden.[10] Bij het verschijnsel thètagolven – zij fluctueren 5-7 maal per seconde in je hersenen – die samenhangen met de controlefuncties van je brein kan dat. Even los van de therapeutische mogelijkheden die dit kan bieden, is het interessant te weten dat de gedachtestroom dus geen onwillekeurig eenrichtingsverkeer is; van onbewust naar bewust. Er is een wisselwerking in een proces van neurofeedback waardoor controle over de executieve functies van het brein; werkgeheugen, remming en flexibiliteit, mogelijk is. Het ‘ik’ is dus niet overgeleverd aan het onbewuste, maar speelt in vrijheid binnen het brein een activistische rol in het bewustzijnsproces en zijn wilsbepaling.

Tenslotte

De vrije wil als een illusie beschouwen omdat ons onbewuste brein de totale regie voert over het geheel van ons handelen lijkt niet alleen contra-intuïtief, maar blijkt ook in tegenspraak met de jongste stand van zaken van het hersenonderzoek. Het tegenovergestelde dat de vrije wil al ons handelen onder controle heeft of kan hebben is ook een illusie. Als persoon is ieder mens een concentratiepunt, van waaruit wordt gehandeld onder invloed van een onberekenbaar complex van stimuli. De keuzevrijheid daarbinnen is misschien niet erg groot en toevalsfactoren  spelen een aanmerkelijke rol, maar er is ruimte. Het lijkt mij goed om af te sluiten met de woorden van Viktor Frankl, een van de drie grote zenuwartsen:

“Between stimulus and response there is a space. In that space is our power to choose our response. In our response lies our growth and our happiness.”

[1] De term ‘neurosofen’ wordt met een licht dedain gebruikt, omdat het vaak vakwetenschappers betreft zoals neurologen en psychologen die geen grondige kennis hebben van de filosofische ideeëngeschiedenis.
[2] Zie noot 5
[3] Zie voor de discussie rondom de Libet-experimenten, ‘Je brein de baas’, André Aleman, Amsterdam 2020, 4e druk
[4] MMH ‘Zijn wij ons brein?’ oktober 2016, Stuart Kauffman, ‘No law entails the evolution of the biosphere’
[5] ‘De vrije wil’, Amsterdam, 2016 (‘Free will’, New York, 2012)
[6] https://samharris.org/reflections-on-free-will/ ‘Refelections on “Free Will”’ by Daniel Dennett, 24-01-2014
[7] Alle drie de gebieden zijn onderwerp van zijn boek ‘De evolutie van de vrije wil’ Amsterdam, 2007 (‘Freedom evolves’ New York, 2003)
[8] Zie noot 6, p. 12
[9] Zie Aleman o.c. ‘Neurofeedback’ p. 100 en volgende
[10] O.c. p. 108